Frans

De column van Leo de Oude

30 september 2006 Leo de Oude

Frans

Luisteraars,

met het hele gezin waren wij een weekje in Frankrijk voor vakantie. Frankrijk is een prachtig land, met een eeuwenoude cultuur en schitterende natuur. Voor Nederlanders is Frankrijk dan ook de belangrijkste vakantiebestemming. De Nederlandse francofielen verzamelen zich op grote campings, onder Nederlandse leiding. De hygiënische hurk-w.c.'s zijn daar vervangen door smerige potten en in de kampwinkel staan pindakaas en ontbijtkoek in de schappen. Vanaf zulke campings zwermen de Nederlandse gasten uit om zich in de eeuwenoude cultuur van het gastland te verdiepen. Als afwisseling maakt men eindeloze wandelingen door die prachtige natuur.

Op zulke tochten legt men graag contact met de bevolking. De bevolking van Frankrijk zijn Fransen. Fransen zijn erg aardige mensen. Fransen spreken Frans. Dat wil in het contact, dat Nederlanders zoeken, nog wel eens een probleem opleveren. Frans is een mooie, maar moeilijke taal.

Gelukkig niet voor ons. Wij hebben in een niet zo ver verleden die taal geleerd op de h.b.s. Hoewel…, h.b.s…, dan moet het toch al wat langer geleden zijn. Hoe dan ook, wij leerden Frans, vijf jaar lang. Wij spraken Frans met de leraar en we spraken Frans met de medeleerlingen. We begrepen elkaar prima. Het zat wel goed met ons Frans.

Dan kom je weer eens in Frankrijk. Het Frans dat ze daar spreken! Een zin begint met een paar woorden, rustig uitgesproken, met enige pathos, goed gearticuleerd. Bien sûr…, cependant…, mais non…

Ja, inderdaad, je hoeft niet te twijfelen over wat wordt gezegd. Met een h.b.s.-diploma op zak is Frans best te verstaan.

Na de rustig uitgesproken woorden (bien sûr…, cependant…, mais non…) komt de spreker op snelheid. Nog enkele woorden zijn afzonderlijk herkenbaar, maar daarna volgen ze elkaar op als kralen aan een ketting, die zonder enige speling is geregen. Tenslotte horen we alleen nog een fonkelende reeks klanken, waarbinnen geen afzonderlijk woord meer is waar te nemen. Van articulatie is geen sprake meer. De zinsmelodie domineert het gesprokene. Er volgt nog een elegant loopje omhoog. Op het gezicht van de spreker verschijnt een tevreden glimlach. De zin is af. Spreker tevreden. Hij heeft, wat hij wilde zeggen, fijntjes overgebracht.

Denkt hij. Want van wat hij wilde overbrengen is niets overgekomen. Het probleem is duidelijk: zo'n Fransman is nooit op de h.b.s. geweest. En dat merk je.

De zaak lijkt hopeloos, maar dat is ze niet. De Fransman is vindingrijk. Hij leert. Niet op de h.b.s. Om te beginnen kijkt hij naar de wereld om zich heen. Hij heeft ontdekt dat die prachtige taal van hem niet meer de betekenis heeft die ze vroeger had. De unieke positie van het Frans in de diplomatieke wereld is uitgespeeld. Voor internationale organisaties is Frans een taal als zovele andere.

Fransen zijn niet alleen erg aardig, maar ook erg slim. Ze gaan dus leren. En wat leren ze? Engels. Dat is geen geringe inspanning, maar het heeft succes. De Fransman is nu zowaar verstaanbaar voor de Nederlander met zijn schoolfrans. We spreken allemaal Engels.

Ook dat kan nog wel eens problemen opleveren. Engels is tenslotte een vreemde taal voor de Fransman. Maar ook voor de Nederlander. Zo ondervinden wij, Nederlander en Fransman, hetzelfde probleem. We spreken allebei een vreemde taal. We staan op gelijke voet. Gelijkheid, dat is al twee eeuwen het ideaal voor de Fransen. Egalité. Maar dat noemen ze nu equalitý.

30 september 2006