Volkslied
De column van Leo de Oude
4 mei 2007 Leo de Oude
Volkslied
Luisteraars,
het is een week van feesten en van herdenken. Maandag vierden we Koninginnedag, een wel heel speciaal Nederlands feest. Vandaag herdenken we de doden uit de Tweede Wereldoorlog. Een ogenblik van bezinning. Morgen mogen we onze vreugde uiten over al die jaren van vrede die wij vanaf 1945 in ons land genieten. Dan op 14 mei herdenkt Rotterdam het bombardement dat ons land tot overgave dwong. Met het bombardement op Rotterdam begon de slachting onder burgers. Bij het monument op de Statenweg nabij de Statensingel worden de slachtoffers van het bombardement herdacht.
Feest vieren en herdenken. Zoals in ieders persoonlijk leven wisselen vreugde en verdriet elkaar af – ook in de collectiviteit van een land, een stad, een dorp. Gezamenlijk vreugde beleven, gezamenlijk rouwen om de doden van de oorlog. Vreugde en verdriet zijn individuele gevoelens, maar bij deze gebeurtenissen zijn het gedeelde gevoelens van velen. Hoe brengen wij dat tot uiting?
Maandag was ik eerst hier bij de aubade voor het Raadhuis. Later was ik in de Burgerzaal van het Rotterdamse Stadhuis en daarna op de Coolsingel bij het concert van de Marinierskapel. Bij elk van die gelegenheden werd het Wilhelmus gespeeld en
gezongen. Het Wilhelmus, ons nationale volkslied, dat jubileert. Vijfenzeventig jaar geleden kreeg het toen al bijna vier eeuwen bestaande lied officieel de status van het volkslied van het Koninkrijk.
De Burgerzaal in Rotterdam was maandag stampvol. Velen moesten in de hal van het Stadhuis via luidsprekers naar de toespraken van mevrouw Leemhuis en burgemeester Opstelten luisteren. Keurige toespraken, een beetje saai. Toen zette het orgel in. Een daverend geluid door het hele stadhuis. Daar klonk plechtig in den ronde, het lied van Aldegonde.
Verbeeldde ik me dat of werd dit keer krachtiger, overtuigender gezongen dan waaraan we gewend zijn geraakt? Kende iedereen nu wel de woorden? Geen onkunde of gêne. Geen schijnheilige mime. Die hele merkwaardige tekst over het Duitse bloed en die koning van Spanje, die altijd zo geëerd wordt, kwam er vol overtuiging uit.
Want een vreemd volkslied is dat Wilhelmus wel. Vijftien coupletten lang. Misschien maar een enkeling kent al die coupletten uit zijn hoofd. Dertien coupletten worden eigenlijk nooit gezongen. Verder zit er een complete les vaderlandse geschiedenis van de zestiende eeuw in verwerkt. Het is de moeite waard om het hele Wilhelmus nog eens te lezen.
Waarschijnlijk kent u wel het zesde couplet. In de Burgerzaal volgde dat zonder enige aarzeling op het eerste couplet:
Mijn schild ende betrouwen
zijt Gij, o God mijn Heer,
Ja, hier spreekt Willem van Oranje, die zich rechtstreeks tot God, tot zijn God went:
op U zo wil ik bouwen,
verlaat mij nimmermeer.
De godvruchtigheid van Willem van Oranje is duidelijk. Maar als wij het zo met z'n allen nazingen, welke betekenis zou dat dan kunnen hebben? De ootmoed van Oranje, zijn bereidheid zich te onderwerpen aan de hoogste majesteit, zijn vertrouwen in het Opperwezen, het hele lied is van die gedachten doordrenkt. Bedoelen wij dat ook allemaal als wij het lied nazingen?
Thuis lees ik het hele Wilhelmus nog eens door. Het woord "God" of "Heer" komt in elf van de vijftien coupletten voor. Het is dus geen terloopse verwijzing naar het Opperwezen Zo'n verwijzing die de tekst wat plechtiger maakt. Het is ook geen abstracte god, die je naar believen kan vervangen door Allah of Brahman of wie dan ook. De God van het Wilhelmus is de Christelijke God, naar reformatorische snit.
Kan dat eigenlijk wel? In Nederland hebben we toch scheiding van Kerk en Staat. Hoe kan dan zo'n door en door christelijk lied het volkslied zijn van iedereen? De Winkler Prins karakteriseert het Wilhelmus als een religieus-politiek propagandalied. Religieus? Politiek? Propaganda? En daar moeten zestienmiljoen Nederlanders het mee doen? Zestienmiljoen Nederlanders met sterk uiteenlopende overtuigingen.
Van de mensen in Rotterdamse Burgerzaal ken ik er maar een handjevol. Maar ik weet dat de uitnodigingen zijn gegaan naar allerhande organisaties in Rotterdam. En ik zie hoe al die mensen, onderling zo uiteenlopend, het Wilhelmus met grote overtuiging meezingen. Men gaat zonder aarzeling aan het soort vragen, die ik zonet noemde, voorbij. De regels van politieke correctheid bestaan hier niet. Hier hoeft niet het juiste antwoord worden gegeven op de vraag van de inburgeringcursus. Het eeuwige wij-zij-gevecht is op dit ogenblik onzichtbaar. Hier gaat het om een gemeenschappelijke emotie die vorm krijgt in muziek en in woorden die gezamenlijk worden gezongen. Een volkslied zonder bombastische woorden ontleent zijn betekenis aan de spiegeling in het land en de aanvaarding ook door hen die een andere kijk hebben op de geschiedenis, maar zich wel één voelen met landgenoten.
Luisteraars, vanavond herdenken wij de slachtoffers van de oorlog. Steeds minder mensen kennen die slachtoffers persoonlijk. De wereldoorlog schuift langzaam van de individuele herinnering naar de geschiedenisboekjes. De levende herinnering aan de doden verdampt. Maar wij weten dat we onze vrijheid ook aan hen te danken hebben. Zij werden geleid door rationele overwegingen om illegaal in actie te komen. Of zij waren willoos slachtoffer van bombardementen. Voor hen die zich actief opstelden tegenover de bezetter speelde ook in veel gevallen emotie. Uit getuigenissen weten we dat de woorden van het Wilhelmus vaak steun en aansporing vormden voor hun daden van moed en opoffering. In respect voor hen die vielen kan die emotie de kern zijn van ons herdenken. Daarom zingen wij bij deze gelegenheden dat onbegrijpelijke Wilhelmus. Laten we zuinig zijn op dat prachtige Nederlandse Volkslied.
4 mei 2007
