Rommelmarkt
De column van Leo de Oude
5 mei 2007 Leo de Oude
Rommelmarkt
Luisteraars,
misschien dwaalt u vanmiddag over het Tuyterplein, de Piazza Navona van Krimpen. Er is daar altijd beweging, van parkeerplaats naar Crimpenhof, van de kerk naar de bibliotheek. Misschien ziet u daar vanmiddag iemand op de grond zitten, keurig op een oude deken met allemaal handelswaar om zich heen. He, denkt u dan, die is te laat, de rommelmarkt is toch al op Koninginnedag geweest? Die man zit fout. Nee, die man zit niet fout. Die kon niet eerder. Die heeft een goede reden om daar in zijn eentje een rommelmarkt te houden. Ik vertel u dit omdat ik de enige ben die weet waarom die man daar zit. Ik alleen kan dat weten, want die eenzame handelaar – dat ben ik.
Ik zal u vertellen hoe dat allemaal zo gekomen is. Toevallig was ik op Koninginnedag in Rotterdam. Daar pakken ze zo'n feestmarkt groots aan. De hele Coolsingel was voor het verkeer afgesloten. In het midden, waar je je leven nooit veilig bent door de van links en rechts aanstormende trams vond nu het grote gebeuren van een rommelmarkt plaats.
U kent dat beeld wel. Kinderen hebben hun speelgoedkast ondersteboven gehaald. Alles waar ze zich te groot voor voelen hebben ze in een vuilniszak gestopt. Er gaat een molton kleed mee, dat zorgvuldig naast de rails is uitgespreid. Eerst wordt een beetje onverschillig de hele vuilniszak leeggestort, maar daarna wordt de stapel netjes geordend. Dan blijkt dat pa (die niet meer rookt) er nog een paar oude pijpen tussen gestopt heeft. Je weet maar nooit wat die nog opbrengen. Mama is een maatje gegroeid en heeft er nog een halve kleerkast bijgepropt. Kind blij met de mogelijk verhoogde omzet, maar wel gegeneerd als ze ziet wat mama van haar verwacht. Zij moet dat maar zien te verkopen. Er zijn ook wat plastic tasjes meegekomen waar de verkopertjes de verkochte spullen in kunnen doen.
Naast de kinderen staan ook gelegenheidshandelaren, die speciaal voor deze gelegenheid iets hebben ingekocht. Stapels, zo goed als nieuwe tijdschriften, hoesjes die om geen enkele zaktelefoon passen, maar daar wel voor bedoeld zijn, pantoffels met een ongezond kleurtje.
Een postzegelhandelaar heeft een handig campingtafeltje meegebracht, waar hij zijn kostbare spullen op uitstalt. Terzijde liggen nog een paar lintjes of fraaier gezegd: Koninklijke Onderscheidingen. Aan het jaartal zie ik dat er eentje op 27 april van dit jaar is uitgereikt. Die is er al snel op uitgekeken! Pas op, dit is dubieuze handel. U weet toch wel dat u na uw dood het lintje weer moet inleveren. Als u daar zelf moeite mee heeft zullen uw erfgenamen het moeten doen. Kortom: illegale handel dus.
Wat wordt nog meer aangeboden? Etenswaar natuurlijk. De heerlijkste dingen. Niet alleen de Hollandse haring en de Friese kantkoek, maar hapjes uit alle windstreken. Ik herhaal: windstreken. Want dat is de kern van dit verhaal.
Geheel volgens de weersverwachting staat er een stralende zon. Dat kan je geen oranjezonnetje meer noemen. Het verkleinwoord - zonnetje - is al helemaal niet op z'n plaats en de zon is in plaats van oranje fel geel. Maar ook geheel volgens de verwachting staat er een pittige wind uit het noordoosten. Niet voortdurend, maar bij vlagen. Ineens, onverwacht, een windvlaag. Eén, twee keer, kort achter elkaar zo'n stoot. En dan is het weer rustig. Dat plotseling tekeer gaan van de wind, dat kan je wel een gemene streek van de wind noemen. Windstreken – ik zei het al.
Bij de eerste windvlaag moeten vooral de klaarliggende plastic zakjes het ontgelden. Ineens is de lucht gevuld met al die vrolijke kleurtjes van de ronddwarrelende zakjes. Het geeft een extra feestelijk effect aan deze bijzondere dag. Maar de wind gaat weer liggen en ook de zakjes dalen, voorzover ze niet in een boom zijn blijven hangen, op de straat. Dat staat ineens een stuk minder feestelijk. Opruimen, die troep. Daar werk ik graag aan mee. Ik raap lukraak wat zakjes op, maar het zijn er echt te veel.
Terwijl iedereen nog wat aan het bijkomen is van de eerste schrik, duikt al weer de volgende windstreek op. Die is veel krachtiger, waardoor ook koopwaar de lucht in gaat. Dan zie je dat op de rommelmarkt vooral amateur-verkopers staan, want een echte marktkoopman heeft dan allang zijn koopwaar verzwaard met keien. Nu vliegen evenwel de tijdschriften en haringen door de lucht. Gevolgd door een stapel windgevoelige b.h.'s en oranje lintjes.
Na de eerste schrik komt de wind tot rust. De spullen dalen ergens op de Coolsingel neer. Nadat ik me zo heb ingespannen om zakjes op te rapen, vind ik dat ik wel recht heb op enige verstrooide koopwaar. Ik blijf dus bukken en rapen. Zeker als een derde windvlaag steeds interessantere spullen voor mijn grijpklare handen laat neerdalen. Als alle plastic zakjes vol zijn, vind ik het welletjes. Terug uit de grote stad naar mijn geliefde dorp.
Ik moet die troep wel kwijt. Helaas is er op het Tuyterplein geen plekje meer vrij voor mijn handel. Ik wil bovendien alles netjes ordenen, dus telefoontasjes bij telefoontasjes en haringen bij haringen. Daar ben ik de afgelopen dagen mee bezig geweest. Vanmiddag is het dan zo ver. Nu begrijpt u mijn oneman-show. Ik kon echt niet eerder. En ik kan u beloven dat ik nog veel meer interessante spullen heb dan wat ik al noemde.
U denkt nu of dat zo maar kan. Het lijkt toch op heling. De wind als dief en ik als heler. Zou dat nou echt zo erg zijn? Voor alle zekerheid heb ik het normen-en-waarden boek van Balkenende er op nageslagen. En ja hoor: u hebt gelijk. Ik mag met die windstreken mijzelf niet verrijken.
Dus maak ik de opbrengst van vanmiddag over aan het Koningin Wilhelmina Fonds. Of het Prinses Beatrixfonds. Of het Prins Bernhardfonds. Dat laatste fonds zal er best leuke dingen mee doen.
Anders is er nog het E.H.T.-fonds. E.H.T.? Dat is het fonds voor de eenzame handelaar op het Tuyterplein.
5 mei 2007
