Gedicht

De column van Leo de Oude

9 juni 2007 Leo de Oude

Gedicht

Luisteraars,

op een van die warme avonden deze week, zit ik achter het toetsenbord en tik, zonder dat ik er over nadenk de volgende regel:

't Was een dag van groote hette

en nu zou het leuk zijn als u reageert met de woorden:

En de lucht was drukkend zwaar,

want dan kennen wij allebei een fameus gedicht. Geschreven door E. Laurillard, een dichter die weinig blijvende roem heeft kunnen verwerven. Wie kent er nog een gedicht van hem? Behalve dit ene dan over die negen mensen die in een diligence zaten op een bijzonder warme dag. Dit gedicht is geliefd bij alle amateur-voordrachtskunstenaars. Omdat die negen mensen allemaal leuke types zijn, ieder met een eigen spraakje, accent, woordkeus.

Handgebaren kunnen de voordracht verlevendigen. De dandy draait met twee vingers en twee duimen zijn kneveltje in een krul. En de zeeman sjort zijn das steeds verder omlaag tot de knoop ergens bij zijn maag zit. De onderofficier trekt aan zijn baard en fronst zijn voorhoofd. Het oude vrouwtje veegt met haar hand langs haar neus terwijl het nuffige dametje met een zakdoek wappert.

Al die handelingen zijn als regieaanwijzingen van de dichter, verwerkt in het vers. Daar kan je iets mee, ook als je geen toneelschool hebt gevolgd. De dichter is ook duidelijk over wat de gewenste manier van praten is. De een spreekt keurig, of het zo naar de drukpers moet, de ander op een ruzietoon, de derde in een snelle woordenvloed. En er is ook nog een burgerjuffrouw met een Amsterdams accent.

Herkent u iets? Herinnert u zich dat u het zelf las, dat Een vers dat als een nachtkaars uitgaat? Of u het hoorde voorlezen? Voor de eenentwintigste eeuwer is het een inburgeringscursus in de negentiende eeuw. Zo vaak zitten we niet meer in een diligence, dragen we een hoog, wit boord of drinken we een glaasje grog van bessen. Maar heet is het nu nog ook wel eens. Soms hoor je zelfs wel dat het steeds warmer wordt. Geloof maar dat het in die diligence – notabene zonder air conditioning – ook erg heet was.

De warmte is slaapverwekkend. Ik soes wat weg. Zo'n gedicht zou je leuk op de televisie kunnen opvoeren. Ik begin in gedachten aan een rolverdeling. Reinoud Oerlemans als zeeman of als paardenkoper. Loes Luca als de burgerjuffrouw en Paul de Leeuw natuurlijk …

Ineens kom ik tot mijzelf. Ik schrik wakker. Ben ik nou helemaal gek geworden? Dit gedicht hoort in de negentiende eeuw, hooguit in de eerste helft van de twintigste eeuw. Toen er nog geen televisie was. Geen schmierende toneelspelers of soap-sterren. Die moeten van zoiets afblijven. Dit vers is voor het Openlucht museum, voor het Meertens Instituut en voor nog zo enkele instellingen die zich bekommeren om ons culturele erfgoed. En voor de oprechte amateur.

Omdat het nu zo warm en broeierig is lees ik het nog een keer voor. Met de nodige schroom. Maar zonder handgebaren.

In een diligence zaten

Negen menschen bij elkaar;

't Was een dag van groote hette,

En de lucht was drukkend zwaar.

Alles wat die menschen zeiden,

Kwam zoowat op 't zelfde neer;

Niemand hunner sorak tenminste

Anders dan van 't heete weer.

Naast een jongen, dwazen dandy

Zat een onderofficier;

Nevens hem een rijzig zeeman,

Over dien een rentenier.

Naast den rentenier een nufje,

Als een uitgeknipte prent;

En naast haar een burgerjuffrouw

Met een Amsterdamsch accent.

't Was een ruwe paardenkooper,

Die weer achter deze zat,

En gewoon was zóó te spreken,

Of hij hooge ruzie had.

Aan zijn zijde een reizend hand'laar,

In zijn spreken razend vlug,

En daarnaast een rimp'lig bestje,

Bevend en gekromd van rug.-

"'t Is fameus!" zoo spreekt de dandy,

En daarbij wordt uiterst net

Met twee vingers en twee duimen

't Kneveltje in de krul gezet:

"'t Is fameus vandaag, meneeren!

Etouffant is de atmosfeer!

Men gaat waarlijk languisseeren

Naar wat vocht, - mijn woord van eer!

"Ja!" zoo antwoordt hem de zeeman,

En zijn dasknoop zit al laag,

Maar hij trekt dien nog wat lager,

Tot zoowat de streek der maag:

"Erger nog as in Oostinje

Brandt de zon hier op je huid;

't Merg druipt weg uit al je knokkels;

't Pek loopt al de naden uit."

"Ja, 't is warm," zoo zegt de man nu,

Die stil van zijn renten leeft,

En wiens hals een hooge heining,

Wit en helder, om zich heeft:

"'t Is zeer warm," vervolgt hij, - keurig,

Of 't zóó naar de drukpers moet:

"Anders is de zon zoo lieflijk,

Maar thans kwelt derzelver gloed."

"Stel je voorr," zoo zegt de krijger

Trekkend aan zijn kinnebaard, -

Hand'ling, waar een ernstig fronsen

Van het voorhoofd zich mee paart:

"Stel je voorr, 'k heb met zoo'n hette

Een vijf u..rren ge marrcheerrd;

't Was wat! Maar – in mijn carrière

Dient bepaald geobediëerrd."

"Nou maar," spreekt de paardenkooper

Op zijn ouden ruzietoon, -

En zijn pet, heel schuin gestooten,

Dekt zijn hoofd niet, maar zijn koon,-

"Nou maar, wat wou jullie praten!

'k Leg hier de verklaring af,

Dat ik eens een dag beleefd heb,

Dat een peerd geen schaduw gaf.

'k Was op weg; 'k wou wat schuilen

Achter 't peerd, maar ja! toen scheen –

't Is zoo waar als ik 't je zeg, hoor! –

't Zonnelicht er dwars doorheen."

"'k Weet nog wel," zegt nu het bestje,

En het bruine bovenvlak

Van haar hand loopt langs haar neus heen,-

"Dat de musschen van het dak

Zoo maar morsdood kwamen vallen,

Doe ik nog een meiske was;

En het vee kreeg 's zeumers koeken,

Want er stond geen spiertje gras."

"Ja, enfin!" zoo spreekt de hand'laar

In een snellen woordenvloed:

"Zie je? een glaasje grog van bessen

straks in 't Posthuis, dat doet goed.

Ik ben altijd reizend, zie je?

Nu, enfin, dan kent men dat.

Grog of Beiersch, - prachtig! heerlijk!

Van dat Beiersch, frisch van 't vat!"

"Och!" zucht nu de burgerjuffrouw

"Liefe minsch! 'k bin sou verhit!

't Mot wel sijn, sou 'k haast geloufen

Da'k sou an de sonsij sit.

Op uws plaassie is 't nog beiter,

Maar hier sweit een minsch sich doud;

'k Mot u seggen: van mijn handen

Loupt een plassie in me schout."

Van de hette spraken allen, -

Maar die eene stijve nuf?

Wel, die zei daarbij maar telkens

Met haar zakdoek waaiend: "pf!"

In meer dan éénen zin, maar ook door dit besluit,

Gaat dit verheven dicht gelijk een nachtkaars uit.

9 juni 2007