Van oude menschen...
De column van Huib Neven
25 maart 2008 Huib Neven
“Van oude menschen…De derde leeftijd en de letteren”. Deze zin kan u niet ontgaan zijn in de afgelopen week. Het was het thema van de Boekenweek.
Het eerste deel van de leus is ontleend aan het onnavolgbare boek van Louis Couperus: Van oude menschen, de dingen die voorbijgaan”. Alleen die titel al…! Of kent niemand deze schrijver meer?
Het laatste deel van de spreuk – de letteren - slaat natuurlijk op de boeken van de boekenweek. Maar dan het middelste deel…De derde leeftijd. Ik kende de uitdrukking niet, maar ik snap hem wel
De eerste leeftijd omvat natuurlijk onze jonkheid, waar onze lieve jeugd zo snel mogelijk uit weg wil en wij ouderen naar terug verlangen. De tweede leeftijd is de tijd, waarin we carrière maken en ons leven leven alsof het altijd zo zal blijven, maar de derde leeftijd….tja dat is een mooi eufemisme voor de grijze ouderdom. En “derde leeftijd” klinkt wel sympathiek, maar het is wel de laatste. Er komt heus geen vierde of vijfde. Hoe je het ook wendt of keert, als je in de derde leeftijd zit, heb je het grootste gedeelte wel gehad.
Daar willen we niet aan. Dat verdringen we. We fietsen, joggen, en rotzooien met botox en siliconen om nog vast te houden aan wat vast te houden is, en strak te trekken wat strak te trekken is, maar dat alles neemt niet weg dat de klok genadeloos doortikt. Die gaat alleen een uurtje terug als we van de zomertijd in de wintertijd overgaan. En zelfs dat uurtje wordt later weer ingepikt. Nee, vadertje tijd weet niet van ophouden.
“O, oud te worden, ouder! O, de vreselijke nachtmerrie van oud te worden….met langzamerhand de verdorring van het jeugdfrisse lichaam, de verwelking van intelligentie en geest…”, zo liet Couperus de hoofdpersoon uit bovengenoemde roman verzuchten.
Het is hard, maar die verdorring en verwelking wordt ons aller deel.
Daar helpt geen moedertje lief aan en ook geen verjongingskuur of buikcorrectie.
Daarom zou ik zo graag de wagen in zijn achteruit willen zetten en het leven achterstevoren gaan leven. I believe in yesterday.
Stel je voor: je wordt niet ouder, maar steeds jonger. Langzamerhand nemen je grijze haren hun oorspronkelijke kleur weer aan. De files lossen op, maar nu voorgoed. De lucht wordt schoon en de zeespiegel zakt weer wat.
Door geluidswallen ingeklemde asfaltbanen transformeren gaandeweg in groene weilanden en goudgele akkers. Eentonige flatgebouwen en kale vinexlocaties maken plaats voor stille dorpjes, waar Ot en Sien vrolijk lachend achter elkaar aanzitten, niet gehinderd door toeterend straatverkeer.
Je fiets kun je met gerust hart zonder kettingslot bij het station of tegen de heg laten staan.
En de reis gaat verder terug.
Je stapt je schuldeloze kindertijd binnen. In de harde schoolbank doop je de kroontjespen in de inkt en bent stiekem verliefd op het meisje met de lange vlechten. Je zit bij vader voorop de fiets en voelt je veilig op en tenslotte in moeders schoot.
En nog verder terug.
Met trekschuit en postkoets naar de pruikentijd. Als scheepsjongen van Bontekoe hoog in het kraaiennest, de kijker gericht op een Middeleeuws kasteel, waar de troubadour zingend de onbereikbare jonkvrouw het hof maakt.
Dan langs een Romeins badhuis en een Egyptische paleis naar het land van melk en honing.
En ineens weet ik waarnaar ik al die tijd op zoek was: het paradijs van de eeuwige jeugd en het volmaakte geluk.
Daar aangekomen merk ik tot mijn ontsteltenis dat het hek dicht is. Door de tralies vang ik een glimp op van vergane glorie en schoonheid. Maar ik kan er niet meer bij. De terugtocht is vergeefs geweest.
Ach, achteruit leven is natuurlijk onzin. Het is dwaze nostalgie, of nostalgische dwaasheid. Terug naar het verleden en weg van de toekomst is ten diepste een vorm van doodsangst.
Daarom zet ik de versnelling weer in zijn vooruit. I believe in to-morrow. De toekomst is open, daar mag je nooit van weglopen.
Zo maak ik me op voor de vierde leeftijd. Morgen is het tenslotte Pasen.
