Keukenla
De column van Leo de Oude
29 maart 2008 Leo de Oude
Keukenla
Luisteraars,
nog niet zo lang geleden was ik een kleine jongen. Ik herinner me dat nog goed. Ik was een kleine jongen en ik wilde spelen. Kleine jongens willen altijd met iets spelen. Daarvoor hebben ze speelgoed nodig. Ik vertel u niets nieuws.
Nou ja, je kan buiten spelen zonder speelgoed. Krijgertje, met je laarzen door modderplassen stampen en natuurlijk sneeuwballen gooien met Pasen.
Binnen spelen is anders. Thuis, binnen heb je je eigen speelgoed. Spelen bij een vriendje betekent spelen met zijn speelgoed. Ga je op visite bij nichtjes of neefjes, dan speel je met hun speelgoed.
Hun speelgoed. Maar dan moet je wel neefjes of nichtjes hebben. Onze familie was heel slecht bedeeld met kinderen. Eigenlijk was er niemand van mijn generatie in de familie. Ja, ik had nog wel een broertje en ik was er natuurlijk zelf. Dat moest wel, anders had ik u nu niets kunnen vertellen. Twee broertjes en voor de rest: niks. Echt niet zo'n familie waarbij minister Rouvoet een huppeldansje maakt. Ha fijn, zoveel kinderen. Ze deden bij ons gewoon niet mee met de twee punt een kindertjes per gezin. Er werd in onze familie helemaal niet zo gehuppeldanst.
Misschien was er nog een tante waarbij je je een huppeltje kon voorstellen, maar als je haar man zag begreep je wel dat dat nooit iets zou worden.
Tante Ans (zo noem ik haar nu maar even) heeft dus geen kinderen en dus ook geen speelgoed. Maar ik moet wel zo nu en dan mee op visite naar Tante Ans en haar niet zo vrolijke Oom Frans.
Daar zit ik dan op een stoel die te hoog is voor mij, omgeven door rookwalmen. Dikke sigaren, afgewisseld met sigaretten. Visite. Heel even heb ik het gevoel dat ik er bij hoor. Ze praten tegen en over me. Dat ik zo gegroeid ben. Dat ik het zo goed doe op school. Dat ik zo'n gehoorzaam kind ben. Wat ik later wil worden?
Als onderwerp van een wat langer gesprek ben ik niet interessant. Het gaat al gauw over politiek, de beurs en het weer. Daar valt heel wat meer over te zeggen.
Ik kijk om me heen. Schilderijen, asbakken op bijzettafeltjes, fotolijstjes, kristallen vaasjes. Alles staat op scherp. "Pas op, niet aankomen hoor. En niet tegen dat tafeltje stoten." Dat tafeltje maakt de meeste indruk. Dat tafeltje is een ovalen theetafel, met onderin serviesgoed en bovenop een theepot, melkkannetje, suikerpot, lepelvaasje en twaalf kopjes. Alles keurig uitgericht, de oortjes allemaal in dezelfde richting om half vijf – als het een klok zou zijn. En op alle onderdelen van het servies dezelfde bloemetjes. Puntgaaf. Wel even iets anders als bij ons thuis met een paar kopjes boerenbont, verder delftsblauw porselein met wat stukjes er af en nog wat ongeregeld steengoed.
Tante Ans ziet dat ik me verveel. Een paar keer zegt ze guitig dat ze zelf nu eenmaal niet meer met speelgoed speelt, dus dat heeft ze niet. Jammer. Dan gaat ze maar eens een lekker kopje thee zetten. Eindelijk komt dat fraai opgestelde servies in bedrijf – denk ik. Maar nee, het theezetten gebeurt in de keuken en daar staat net zo zootje kopjes klaar als bij ons thuis.
"Ga je mij dan helpen?" Dat is nog wat, tenminste. Ik spring van de stoel.Even uit die rookwolken. Met tante naar de keuken. Tante doet daar alles geroutineerd en er valt niets te helpen. Ze kijkt wel uit. Voor je het weet breekt zo'n kind iets.
Overigens doet ze haar werk met enige zwier en met wat overdreven gebaren houdt ze in ieder geval mijn aandacht. Dat wordt nog duidelijker als ze het thee-ei uit de keukenla pakt. De geopende keukenla is een ogenblik in mijn blikveld en ik ben verrast door de mengelmoes van herkenbare en volstrekt onduidelijke voorwerpen.
"Ja, dat is leuk hè," zegt tante, zonder aan te geven wat er nou zo leuk is. Ze heeft mijn gretige reactie goed begrepen en grootmoedig wordt de la op het keukentafeltje gezet. "Maar pas op voor de messen – die neem ik er wel even uit." Tante Ans vertrekt met de volgeschonken kopjes naar de huiskamer en ik blijf in de keuken met een la vol troep.
Tante Ans zou geen speelgoed hebben? Tante Ans heeft al het materiaal om al spelend ingenieur of kunstenaar of administrateur te worden of alles tegelijk. Want die sardinebliksleuteltjes kan je half door elkaar vlechten en zo maak je een echte Tingeluy. De notenkraker is een machtig stuk gereedschap waar je echt kracht mee kan zetten. Munten uit vreemde landen moeten eerst gedetermineerd worden en vormen vervolgens een reisgids door ten minste drie werelddelen. Sommige munten hebben gaatjes in het midden. Met een paar luciferstokjes maak ik rollend materieel.
Dan is er tijd voor enige ordening. Bonnetjes van Niemeijer en Van Nelle, kwattasoldaatjes en De Gruyter-bonnetjes, alles wordt gesorteerd en op stapeltjes gelegd. De stapeltjes worden vervolgens in elastiekjes of paperclips gevangen. Dat is misschien geen spelen, maar wel erg bevredigend.
Suikerklontjes. De meeste ingepakt en uit de papiertjes blijkt ook de reislust van Tante en Oom. Maar suikerklontjes zijn vooral bruikbaar bouwmateriaal. Geen plastic spul met nopjes die een even hecht als oninteressant bouwwerk oplevert. Dit is het echte bouwen. Al een simpel muurtje levert een uitdaging op. De maatvoering van het bouwmateriaal is niet exact, maar daarin zit het avontuur. Zo leer je improviseren. Probeer het maar eens. Bouw zo'n muur.
Soms denk ik nog wel eens terug aan die kleine jongen met de keukenla die voor hem een schatkist was. Gedachteloos pak ik de krant. Ineens zie ik een kop: "Laatjes vol cadeaubonnen"
Een marktonderzoekbureau heeft becijferd dat in de keukenlades van Nederlanders bijna acht miljoen cadeaubonnen liggen, die naar schatting samen tweehonderd miljoen euro waard zijn. Het lijkt ongelooflijk. Zou het waar zijn? Geld en waarheid staan wel vaker op gespannen voet met elkaar.
Maar dat een keukenla een bijzondere inhoud kan hebben dat heeft de kleine jongen toen al wel begrepen.
29 april 2008
