Sportverdwazing
De column van Huib Neven
31 mei 2008 Huib Neven
Van tijd tot tijd sta ik langs de lijn van het voetbalveld om mijn kleinkinderen aan te moedigen. Ook het korfbalveld mag zich in mijn supporterschap verheugen als mijn zoon daar aanvallend of verdedigend zijn bijdrage levert aan een eventueel kampioenschap. Trots vervult mij als mijn nageslacht een tegenstander te slim af is, of een bal in de touwen of de korf weet te werken. En ik schaam mij niet om daar luidkeels uiting aan te geven.
Zelf klim ik op gezette tijden op de racefiets, wat mij met een zekere zelfingenomenheid vervult. In een erg overmoedige bui droom ik zelfs van de Tour de France. Totdat ik laatst samen met mijn kleinzoon van 12 in de pedalen klom. Hij reed mij volledig op achterstand en leerde mij dat ik toch eindelijk mijn grenzen eens in acht moet nemen en voortaan beter achter de geraniums kan blijven.
Ik wil maar zeggen dat ik niets tegen sporten heb. Sporten is mooi, sporten is goed voor je ontwikkeling. Sporten is karaktervormend. Met sporten verbeter je je sociale vaardigheden. Er kunnen wat mij betreft niet genoeg trapveldjes zijn en ik zou alle ouders willen oproepen hun kinderen naar de sportclub te sturen, ook al vraagt dat in het gezin veel organisatievermogen en brengt het de gezamenlijke maaltijd in gevaar.
Daarbij heb ik grote bewondering voor al die vrijwilligers die belangeloos hun vrije tijd in de sportclub stoppen om de jeugd in te wijden in de geheimen van het spel en het samenspel.
Maar hier houdt mijn liefde voor de sport ook op. Bij de sport zoals die in mijn krant elke dag pagina’s lang wordt uitgemeten en in tv-programma’s urenlang van commentaar wordt voorzien, haak ik af. Daar gaat het niet meer over sport en sportiviteit. Daar gaat het over keiharde business, om koste wat het kost de top te bereiken. Dan is sporten ineens niet meer mooi, niet meer goed voor de ontwikkeling en voor het karakter. Dan worden sociale vaardigheden eerder afgebroken dan opgebouwd.
Het enige doel van deze soort sport is winst en roem.
Dat kan niet anders dan frustaties opleveren. De top is immers aan een beperkt aantal mensen voorbehouden en niet voor iedereen is eer, media-aandacht en rijkdom weggelegd. Als de sporter daarmee wordt geconfronteerd, moet al gauw de psychiater er aan te pas komen.
Ik kom op deze overwegingen door een artikel dat ik deze week las over Michaëlla Krajicek. Het lukt haar de laatste tijd niet meer om te winnen en ze is op de wereldranglijst flink gedaald. Nu is ze in psychische nood gekomen. “Het zit allemaal in mijn hoofd” zegt ze. In plaats van sportheldin is ze eensklaps voer voor psychologen geworden. Wat zullen die haar zeggen? ‘Meid, kop op, het is toch een leuk spelletje? Je kunt toch niet altijd winnen? Een ander moet toch ook eens de kans krijgen’.
Ik ben bang dat het zo niet gaat, maar meer in de trant van: ‘Kom op Krajicek, je hebt nu lang genoeg gerommeld. Er moet weer gewonnen worden. We hebben er niet voor niks veel geld ingestoken. Als het niet meer gaat, zoeken we wel een ander’.
Want daar zit natuurlijk het probleem. Sporters worden geëxploiteerd, in dit geval zelfs door een vader. Honderden, zo niet duizenden mensen om al die sporters heen moeten er geld aan verdienen. De knikkers moeten rollen. Het riekt naar mensenhandel, alleen wordt de handelswaar er in dit geval niet slechter van.
En we doen er allemaal aan mee. Als er niet gewonnen wordt gaan we rellen en breken we de tent af. Ouders en grootouders roepen langs de lijn hun kinderen en kleinkinderen toe dat de poten van hun tegenstanders een effectiever doelwit zijn dan de bal. Zo gaat dat als we het spel uit het oog verliezen. De schoppende mens, in plaats van de spelende mens, de homo trappens, in plaats van de homo ludens.
En daar komt nu de oranjegekte bij. In geen supermarkt of andersoortige winkel ben je veilig voor het stuiterend oranje en de meest vreemdsoortige petjes, hoedjes, sjaaltjes en feestneuzen, waar het Nederlandse volk, niet gehinderd door enig gevoel van decorum zich mee uitmonstert. Je mag al blij zijn als je huis niet wordt ondergespoten of met vlaggeslierten verbonden wordt met de rest van de buurt.
U begrijpt het al, ik moet weinig van die sportverdwazing hebben. Niet omdat ik niet van mooi sportprestaties hou, maar omdat sport verward wordt met big business, met belangen en met exploitatie van mensen.
Neem de Olympische Spelen. Prachtige sportprestaties, echt waar, maar kom me niet aan met verbroedering en wereldvrede. Daarvoor zijn de belangen te groot. Achter alle pracht en praal gaat de onderdrukking van miljoenen Chinezen schuil.
Geef mij maar de onbekommerde pret van al die echte amateursporters.
Al vind ik het wel jammer dat ik zelfs nog geen etappe in de Tour de France heb gereden, laat staan gewonnen.
