Alweer voetbal
De column van Huib Neven
28 juni 2008 Huib Neven
Vooruit, nog één keer over voetbal, dan hoort u me er nooit meer over.
Ik heb ook een paar wedstrijden gezien.
Wat een goochelaars zijn die jongens van Oranje, van Jan de Wit en van Van Basten.
Hoe ze door dat veld dartelen!
Hoe de keeper met een aanloop en een huppeltje een enorme loeier tegen de bal geeft die dan ook nog precies bij een medespeler terecht komt!
Hoe diezelfde keeper even later als een slangenmens zich naar de lat kronkelt om de bal achter het net te werken en de tegenstander achter dat net te laten vissen!
Hoe een speler die bal uit de lucht opvangt alsof het een langzaam dalende luchtballon is!
Hoe hij hem als een veertje op zijn schoen stillegt en vervolgens doortikt naar een medespeler die precies op de goede plaats staat!
Hoe de spelers met bal en al pirouetjes om hun as draaien!
Hoe ze met links en rechts jongleren, terwijl ze de bal, als door magneten vastgehouden, niet kwijtraken!
Hoe ze die bal met hakken en tenen naar elkaar heen en weer tikken en de tegenstanders gek maken!
Hoe ze met hun kop de linkerbovenhoek van het doel weten te vinden!
Hoe ze in ware doodsverachting tijdens een achterwaartse salto mortale de bal in de kruising mikken!
Hoe ze sowieso die bal tussen die palen weten te krijgen, terwijl er tal van anders gekleurde acrobaten om hen heen krioelen!
Kunstenaars zijn het!
Ik heb ze zien voetballen tegen Italië en Frankrijk en heb me erdoor laten meeslepen, al heb ik er niet zoveel verstand van. Maar dat had u al uit het voorgaande begrepen.
We zaten op een camping in het oosten van het land. Zo’n kleine minicamping waar de jeugd zich stierlijk zou vervelen, maar waar gevorderden in leeftijd hun broodnodige rust kunnen opdoen en zonder brulshirts en welpies naar een voetbalwedstrijd kunnen kijken.
De televisie stond opgesteld in de kantine die meer weg had van een gezellige huiskamer. We waren met acht mannen en twee vrouwen. Allen hadden Abram gezien, sommigen ook Abe Lenstra. Dat was een voetballer van lang geleden. Ik zeg het er maar even bij, want zo beroemd hij destijds was, zo vergeten is hij nu. Zo gaat dat met roem. Over een poosje vraagt men zich af: Van Basten? Van Nistelrooy? Hadden die niet iets met televisie te maken?
Dit relativeringsvermogen was kenmerkend voor mijn medekijkers op de camping. Zij hadden duidelijk meer verstand van voetbal dan ik. Wisten precies waarom de scheidsrechter floot en nog beter waarom hij het verkeerd deed. Ze doorzagen de opstelling en de trucs, leverden commentaar, juichten ook als er een doelpunt viel, maar lieten zich niet gek maken.
Toen de wedstrijd afgelopen was, gingen ze gewoon terug naar hun niet oranje versierde caravan om hun borreltje te drinken.
Voor hen was het klaar, tot een eventueel volgende wedstrijd.
Zo werkte het echter niet bij half Nederland. Dat verkeerde in een voortdurende roes, aangetast door een van oranje gloeiende koorts. Maar inplaats van in bed te blijven en rustig uit te zieken, maakte het oranjelegioen luid toeterend de straten onveilig en doste zich uit met wonderlijke hoofdtooien, maskers en beschilderde gezichten. Net indianen die dansend en springend de goden een overwinning willen afdwingen.
Ik zag in de krant een foto van een groepje oranjefanaten in Bern. De mannen waren gekleed in frivole vrouwenrokjes en natuurlijk geschoeid met klompen. De benen in de o-vorm, de kont achteruit, armen in de lucht, de mond wijd open gesperd, gingen ze lallend van liters bier in polonaise over het plein, nagestaard door flegmatieke Zwitsers die van verbazing zo mogelijk de mond nog verder open hadden.
Wat zit er toch achter die Oranjekoorts? Het moet meer zijn dan de bewondering van het spelletje. Ik denk dat we ten diepste met z’n allen op zoek zijn naar een gezamenlijk doel. In een individualistische samenleving ontbreken de bindingen en de contacten. De dingen en instanties waar we vroeger gezamenlijk de schouders onder zetten, zijn weg- en uit elkaar gevallen. We zijn op onszelf teruggeworpen.
En dan dient zich ineens weer een ideaal aan: een oranje elftal dat het leven weer waard maakt om te leven. We vergeten onze verschillen en beklimmen eensgezind de barricaden. We gààn weer ergens voor. Elf idolen en een trainer. De wereld draait om voetbal. Het bestaan heeft weer zin.
En inderdaad, het heeft wel iets, die gezamenlijke feestvreugde. Net een bevrijdingsfeest, waarin we verlost worden van onze kleinheid en miezerigheid. De wereld mag ons weer zien.
Maar ja, als je je zinnen zet op alleen een groep te duur betaalde sporters, komt vroeg of laat onherroepelijk de domper. Zo’n ideaal is te kwetsbaar. De voetbal blijkt een luchtballon, die aan een klein prikje genoeg heeft om als een slap waardeloos velletje naar de grond te dwarrelen. De oranje vlaggetjes die eerst zo feestelijk de straten optuigden, treuren nu troosteloos en teleurgesteld om niet vervulde idealen, een verloren paradijs.
Zo zijn we weer terug bij af en zullen op zoek moeten naar een betere zingeving dan oranjekoorts en sportgekte.
