Cirkels

De column van Leo de Oude

13 februari 2010 Leo de Oude

een cirkel is toch de mooiste figuur die je je kan voorstellen. Deze uitspraak hoort u nu uit mijn mond, maar ik hoorde hem maandagochtend van een medereiziger. Ik was net de metro ingestormd, vond een plekje tegenover een vriendelijk glimlachende heer, die zonder enige inleiding tegen me zei dat een cirkel toch de mooiste figuur is die je je kan voorstellen. Door de manier waarop hij het zei werd het half een vraag. Kennelijk veronderstelde hij dat ik zijn stelling over de cirkel wel wilde bevestigen of een gesprek erover wilde voeren.

duiden dat had voorrang.

duiden. Dat is zo'n heerlijk modewoord. Als je iets helemaal niet snapt, wat mensen gedaan hebben, wat er zonder menselijk ingrijpen gebeurd is, wat over je heen komt, dan moet je dat wel kunnen duiden. Anders kom je er nooit los van, snapt u.

Ziet u, zegt met de nodige nadruk mijn overbuurman en maakt een handgebaar in de richting van het andere perron. Inderdaad, daar zijn de twee sporen van de metro gescheiden door een betonmuur, waarin cirkels zijn uitgespaard. Dat geeft een fantasierijk beeld van de wachtenden op het andere perron, bekeken zoals in een kijkdoos. Figuren bewegen, omsloten door een cirkel. Je ziet ze helemaal, ze verkleinen, de voeten, benen en tegelijk het hoofd gaan uit het beeld en ten slotte zijn ze uit de cirkel verdwenen. Vind ik dat mooi? Het geeft me voldoening dat ik overtuigd ja kan knikken. Mooi, die cirkels. Toch nog een bevredigend afsluiting van een niet gevoerd gesprek – denk ik.

duiden. Dat valt niet mee. Ik gebruik een hulpmiddel. Herinnert u zich uit de tijd dat speelgoed niet digitaal en niet duur was nog het aankleedpoppetje? Een papieren poppetje dat je om te beginnen met alle mogelijke kleren moest uitknippen. Als je het netjes deed was je daar een halfuurtje zoet mee. Dan kwam het: het jongentje aankleden. Het uitgeknipte mannetje stond daar in zijn hemdje en onderbroekje. Er waren uiteenlopende kledingstukken. Met een maliënkolder als ridder, met een toga als dominee, met een padvindersuniform. En het meisje, ja, dat was er ook, net zo plat als haar broer, zo plat als papier, dat meisje kon verpleegster worden. Aan de kleding zaten lipjes – moeilijk bij het uitknippen. Die lipjes vouwde je om en zo bleef het kledingstuk aan de pop hangen. Het ging vaak mis. Het lipje was te ver ingeknipt of de vouw verslapte.

Duiden is echt niet moeilijk. Alleen vraag ik me af: wat is de mening van dat jongetje zonder al zijn mooie pakjes, eenvoudig in het hemdje en onderbroekje?

Spijkenisse gaan?