Boekenweek
De column van Leo de Oude
27 maart 2010 Leo de Oude
Boekenweek
Luisteraars,
Boekenweek. Jaarlijks hoogtepunt voor iedere lezer. Lezen, het mooiste wat er bestaat.
Wel erg passief. De lezer is consument. Hij is niet creatief. Anderen moeten voor hem de boeken drukken, verspreiden en vooral ook schrijven. Schrijven, dat is pas creatief. Natuurlijk, het is inspannend. Je moet er wat voor doen. Maar als je het goed doet, kan je er ook nog rijk mee worden.
Ik besluit deze Boekenweek eens van de andere kant te benaderen. Ik ga schrijven. Ik denk echt wel dat ik dat kan. Maar wat zal ik gaan schrijven? Het genre is natuurlijk de eerste keuze.
Ik denk aan een biografie. Die doen het op het ogenblik erg goed, vooral met een flinke dosis royalty. Of een kinderboek? Kleine woordjes, weinig tekst, gauw klaar.
Sport is momenteel erg in, zo tussen Olympische Spelen en WK-voetbal. Een beetje pikant boek doet het in de verkoop lekker. Science Fiction? Of een doktersroman? Een psychologisch drama? Zo'n zoetig boekje uit de bouquette-reeks? Het is moeilijk kiezen. Waarmee begint de succes-story van mijn schrijverschap?
Laat ik nou eens flink zijn: ik kies niet. Ik schrijf al die boeken. Gewoon na elkaar. Het is goed alle genres te beoefenen, dan zie je na afloop wel waar je het meeste in uitblinkt. Ik begin met de biografie.
"Onze held is geboren in Zeeland. De plaats waar zovele schepen van de V.O.C. uitzwierven over de wereldzeeën. Ook onze held is voornemens grote daden in de hele wereld te verrichten. Zijn naam: J.P." Zo, dit begin van de biografie staat. De rest komt wel.
Eerst even vlug een kinderboek tussendoor. "J.P. zegt Janneke. Wat een gekke naam. Jupu…. Jup….Jip. Ik noem jou Jip, zegt Janneke. Dat is goed, zegt Jip. Nu ga ik weg, zegt Jip. Hé nee, zegt Janneke. Ja, zegt Jip. Waarom? vraagt Janneke. De wereld heeft mij nodig, zegt Jip. Ik ook, zegt Janneke."
Maar Jip is niet te houden. Hij trekt er op uit, sportief als hij is en zo belanden we vanzelf in mijn derde boek, dat geheel over sport gaat.
"Jip belandt bij een sintelbaan. Wat zijn dat voor vreemde hekken, goede vriend? vraagt hij aan een terreinknecht. Ach meneer, dat zijn gewoon hordes. Maar goede vriend, die staan toch vreselijk in de weg als je hard wilt lopen? De terreinknecht antwoordt: het is de bedoeling dat de loper over de hordes heen springt. Jip vindt het wel een beetje vreemd, maar het intrigeert hem wel. Even staat hij er peinzend bij. Dan zegt hij onverschrokken: dat wil ik proberen. De terreinknecht: meneer, het is moeilijk als je het nog nooit hebt gedaan. Maar gaat uw gang.
Jip zet aan en hij holt met een enorme vaart op de eerste horde af, maar zijn sprong stelt niets voor. Zo ligt hij samen met de horde op de sintelbaan. Dat doet wel zeer, maar Jip zet door. Weer die enorme spurt op weg naar de tweede horde, maar het resultaat is hetzelfde. Ook de derde horde wil niet lukken. Jip zit ondertussen onder de schrammen en de blauwe plekken. Tijdens de aanloop naar de vierde horde struikelt hij een paar maal, maar vervolgens gaat hij vol op zijn gezicht. Alleen de vijfde horde staat nu nog overeind. Jip kijkt er verlekkerd naar. Mijnheer ik zou het niet doen, zegt de terreinknecht. Maar Jip heeft een paar vrienden meegenomen en die roepen: Ja, Jip, je kan het best. We geloven in jou. Doe het nou maar, die vijfde. Trek je niets aan van die vorige vier.
Ja hoor, Jip gaat het proberen. Te dol voor woorden". De uitkomst kan ik nog niet in dit boek verwerken, want zo ver is het nog niet.
Omdat we toch iets over de kansen willen weten leg ik het manuscript van het sportboek even terzijde en ga nu schrijven aan zo'n fantastisch science fiction-verhaal. We willen wel eens weten of Jip nog enige kans maakt om over de volgende horde heen te komen. U hebt misschien al een vlugge berekening gemaakt en denkt dat de kans voor Jip 1 op 625 is, maar in mijn boek zit een echte deskundige achter de computer. Die tikt niet alleen de vier mislukte hordes in, maar ook 35 miljard euro. En P.V.V. En Job Cohen. Ennog zo het een en ander. De computer slaat direct aan het rekenen en de nullen dansen over het scherm. Uiteindelijk sluit de operator maar af. De kans op een geslaagde vijfde horde blijkt minder dan 1 op een miljard te zijn.
We hebben zielsmeelij met onze Jip. Hij stapt nog rond met alle zijn bulten, builen en schrammen van zijn hordeloop en is zo zielig dat ik hem maar mee neem naar mijn volgende boek. Om Jip op wat andere gedachten te laten komen komt hij nu terecht in het pikante verhaal.
"Jip strompelt weg van die afschuwelijk sportbaan en loopt het dorp in. Hij is een beetje aan het simpen als hij langs een klooster komt. Achter de heg staat een pater die hem vriendelijk toespreekt. M'n jeungske, wat hedde ge dan? Kan ik oe wad helpe? Een piezeltje troos? Nou, Jip is er zo slecht aan toe dat hij wel wat vriendelijkheid kan gebruiken. Dus gaat hij op uitnodiging van de pater graag mee naar binnen. Daar wordt hij werkelijk vreselijk verwend. De pater praat zo lief tegen hem en streelt hem zachtjes. Dat geeft Jip een warm gevoel. Maar de pater krijgt het ook warm en doet zijn pij uit. O,o, o, hij heeft daaronder niets aan. Als de pater dat merkt, grijpt hij nog gauw het boetekleed, maar…"
Maar, luisteraars, hier stoppen we, want het vervolg van dit verhaal is niets voor de vroege zaterdagochtend. Mijn volgend boek is netter, het is namelijk een doktersroman.
"Toevallig staat naast het klooster een ziekenhuis. Dank zij de marktwerking in de gezondheidszorg ziet dat er flitsend mooi uit. Binnen is ook alles piekfijn in orde. We zijn nu in de operatiekamer. Jip ligt op de behandeltafel. Aan de ene Kant staat Zuster Agnes, aan de andere dokter Eimert. Zuster Agnes kijkt vol bewondering naar de soepele wijze waarop dokter Eimert de verwondingen van Jip behandelt. Die soepele handen, de elegante gebaren. Als dokter Eimert als dienstplichtige in het leger terecht zou zijn gekomen dan was hij vast een heel goede hospik geworden. Dokter Eimert in het leger…!
Zuster, wat staat u nu te dromen! Ik heb al twee keer om de pleisters gevraagd. Zelf staat dokter Eimert ook vaak na te denken over zijn misgelopen carrière als hospik. Hij had het best willen doen, maar het kon niet. Hij was onmisbaar: hij was fractiemedewerker. Nu kijkt hij nog eens naar Zuster Agnes. Iedereen zegt altijd dat ze zo boos kijkt, maar hier waar ze samen in de operatiekamer bezig zijn toont ze haar lieftalligste gezicht. Ze hebben allebei een kamer in het ziekenhuis, naast elkaar. Hij in de ene, zij in de Tweede, maar daar wil ze uit. Zou ze elders haar geluk vinden?"
Ondertussen is Jip behandeld en staat hij op de stoep voor het ziekenhuis. Hij denkt na over alles wat hem is overkomen. Nu hij voor het eerst denkt, zitten we zo in mijn psychologische roman. Die hoeft niet dik te zijn, want Jip denkt niet zo veel. "Maar hij denkt wel: waar ben ik mee bezig? Moet ik niet iets anders? En een stemmetje binnen in hem zegt: Ja! Ja, je moet iets anders. En vanzelf komt dan de gedachte aan Janneke bij hem boven." Dit inzicht is dan tegelijk het einde van de psychologische roman.
Ik schrijf nog vlug een deeltje uit de bouquette-reeks, maar u weet natuurlijk al hoe het afloopt. "Janneke ziet hem al komen en staat met haar armen wijd. Waar ben je geweest? Nou, deze straat uit en dan langs het sportveld en even bij het klooster naar binnen. Daarnaast heb je het ziekenhuis en daar hebben ze een paar pleisters geplakt. Janneke kijkt hem diep in de ogen. En nu, Jip? vraagt zij zuchtend. Nou, ik denk… dat ik die vijfde horde… maar laat schieten, zegt Jip zo luchtig mogelijk. Wat bedoel je? vraagt Janneke. Ik heb gekozen voor het gezin, zegt Jip vastberaden. En die zin wordt de mooiste frase van de Boekenweek 2010.
13 maart 2010 (1381 woorden)
