Dominee
De column van Leo de Oude
8 mei 2010 Leo de Oude
Dominee
Luisteraars,
……….[stilte]……….
Daar gaat een dominee voorbij. Ik zweeg terwijl u verwachtte dat ik iets zou gaan zeggen. Als ergens stilte valt, terwijl je het niet verwacht, wordt zoiets over een dominee gezegd. Van pratende mensen verwacht je dat ze blijven praten. In vergaderingen wordt veel gepraat. Daar is een voorzitter. Hij of zij houdt in de gaten dat iedereen die iets wil zeggen daar de kans voor krijgt. Als er een stilte valt zegt de voorzitter gelijk: als niemand meer iets wil zeggen is aldus besloten. Klap met de hamer. Volgende onderwerp.
In de familiekring gaat dat anders. Neem een verjaardagsvisite. Bijvoorbeeld bij mijn neef Eugène. Niet alleen familie, ook vrienden en buren zitten bij elkaar in de huiskamer. Daar staan twee fauteuils. In de een zit oma, zeer op haar gemak. Ze is het koud een maand – omaatje – maar iedereen gunt haar die makkelijke zitplaats. Anders is dat met de andere fauteuil. Daarin zit, onderuitgezakt, die arrogante Michael. Heeft niet het fatsoen zijn plaats aan een ouder iemand aan te bieden.
Verder is er dan nog een bank. Geen tweepersoonsbank, ook geen driepersoonsbank, maar een twee-en-half persoons bank. Die bank zelf heeft nog nooit een halve persoon gezien. Die bank weet wel beter: er zitten of twee of drie personen en vanavond met een volle bak zijn dat er drie; zo is de ervaring van de twee-en-half persoonsbank.
Daar op die bank kom ik terecht, in het midden. Rechts van me zit een mij onbekend manspersoon, die niet het fatsoen had zich voor te stellen maar in ieder geval veel te breed is voor zo'n smalle bank. Links zit Eveline, de bloedmooie buurvrouw. Korte rok, blouse, waarvan de bovenste knoopjes open zijn. Ongewild trekt de warmte van haar dijbeen door het mijne. Even lijkt dat leuk, maar al gauw wordt het klef. Het is te nauw, daar op die bank. En zelfs de ruimhartige inkijk in het decolleté van Eveline biedt onvoldoende compensatie voor het ongemak. Ik zou ergens anders een plekje moeten zoeken, maar waar?
De hoge, steile eettafelstoelen zijn allemaal bezet en ik zie dat de leuning zo staat dat iedereen zijn rug spaart door er niet tegen te leunen. Voor de laatste binnenkomers staan een paar krukken klaar. Nou, ik blijf maar zitten tussen Eveline en meneer X.
Ach, zo erg is het allemaal niet als het gesprek op gang komt. Geen voorzitter nodig. Iedereen heeft wel iets te vertellen, waarop een ander dan weer inhaakt. Een pingpongspel van woorden. Levendig, ongeregisseerd, met kleine grapjes ertussendoor. Al gauw zitten we in de politiek. Dat hoeft de stemming niet te bederven, zolang we het op algemeenheden houden. Nee, de belastingen moeten niet te hoog worden. En ja, er zal toch ergens bezuinigd moeten worden. Maar medische hulp moet niet onbetaalbaar worden. En goed onderwijs. Enzovoort, enzovoort.
We stappen over op het onderwerp vakanties. Daar valt heel wat over te vertellen. Waar men geweest is, hoe het weer daar was, hoeveel het kostte. De oude Staring zei het al zo mooi: Elk brengt wilvaardig voor den dag, wat raars of schoons hij zwervend zag. En wilvaardig zijn ze, om te vertellen hoe mooi, hoe bijzonder en hoe ver al die vakanties waren. Je moet van goeden huize komen om daar overheen te bieden. Alleen als iemand opmerkt dat Machu Pichu weer open is voor toeristen, blijkt dat niemand daar ooit geweest is. Dat noteer ik even.
De recessie wordt ook nog in verband gebracht met de vakantie-uitgaven. Het zou allemaal goedkoper moeten worden. Zouden Afrikaanse landen geen goede bestemming zijn voor de kleinere beurs? Nu laat eindelijk mijn omvangrijke bankgenoot zich horen. "Kijk, als die ontwikkelingshulp niet wordt afgeschaft, dan zouden die lui daar ons wel eens voor een gratis vakantie kunnen uitnodigen. Ze hebben al genoeg poen van ons opgestoken." Aldus de mening van de heer X.
Ai, dat had hij nou niet moeten zeggen. Dat is wel een heel beladen uitspraak. Wie gaat hier tegenin? Niemand. Niemand wil de sfeer bederven met een felle reactie. En onvermijdelijk valt er dan een stilte. ………
"Daar gaat een dominee voorbij," kwinkeleert de bloedmooie buurvrouw. Zo, nu zegt tenminste iemand iets. Die Eveline. Maar verder? Er moet nu iets gezegd worden.
Zowaar, Michael. Op lijzige toon vraagt hij: "Waar slaat dat nou op? Wat betekent zo'n uitdrukking?" Iedereen is gelukkig met deze risicoloze wending. "Ja, dat zeg je nu eenmaal als iedereen zijn mond houdt." Dat is een constatering, geen antwoord op de vraag van Michael. Vindt dominee het niet goed dat je zit te praten? Wil dominee alleen maar stilte? Mogelijke verklaringen vliegen heen en weer. De domineese stilte blijft een vraag.
De gastheer heeft genoeg van het gissen. Hij pakt uit zijn boekenkast het standaardwerk van Stoett: Nederlandse Spreekwoorden en Gezegden. Daar staat achter de uitdrukking, dat men uit vrees voor berisping of terechtwijzing zich in tegenwoordigheid van een predikant niet vrij durft te uiten of geen onvertogen woord durft zeggen. Zo, dat weten we dan. Discussie gesloten.
Maar nee, er valt wel wat tegen die verklaring in te brengen. De dominee in eigenlijk een onsympathieke rol. De kardinaal, die zo goed is in Duitse oorlogscitaten, zou hierover lispelen: "Feind hört mit." En mag je dat alleen de dominee aanrekenen? Waarom ook niet de pastoor, de imam, de rabbijn? En de humanistisch raadsman, vult Eveline aan. Terwijl verdere kritiek heen en weer vliegt heeft het slimme zoontje van Eugène zijn Blackberry gepakt. Zijn vingers vliegen over de toetsjes. Dan vraagt hij: "Weten jullie wat in de Wikipedia staat?"
Nee, dat weten we niet. Voor ons is Stoett de autoriteit. Wat is Wikipedia eigenlijk?
Dat doet er niet toe. Interessanter is wat dat joch voorleest: In vissersplaatsen was het gebruik dat de dominee de familie op de hoogte moest stellen van een bericht van overlijden. Als de dominee naderde/passeerde viel een beklemmende stilte.
Duidelijk. Ineens valt alles op zijn plaats. De dominee niet als verklikker of spion, maar in een van de moeilijkste taken die je je kan voorstellen. Vissersplaatsen langs de Noordzee en rond de Zuiderzee, daar kwamen niet zo veel pastoors en rabbijnen voor. En al helemaal niet een imam of humanistisch raadsman. Dominee was de klos.
We zien het voor ons. De kamer vult zich met Herman Heijermans, met Op Hoop van Zegen, met Kniertje. Het stormt, de schepen zijn uitgevaren. De kans bestaat altijd dat een het niet haalt. Er komen onduidelijke berichten binnen. Op andere schepen hebben ze iets gezien van de Anna Maria die in moeilijkheden was. Wachten, wachten. De dominee heeft zich bij de mannen en jongens gevoegd. Er komt nog een boot binnen. De bemanning bevestigt het bange vermoeden.
Dominee kent zijn taak. Hij weet wie aan boord was van de Anna Maria. Hij gaat het dorp rond. De vrouwen wachten zijn komst af, nee, ze hopen juist dat hij niet komt. Dan houd je niet alleen je mond, je houdt ook je adem in. Een beklemmende stilte, vol angst en hoop. Daar gaat een dominee voorbij.
Daarna zijn we terug in de verjaardagsvisite. Eveline heeft de knoopjes van haar blouse dichtgeknoopt.
