Jules Schelvis

De column van Huib Neven

5 juli 2014 Huib Neven

De Westerkerk in Amsterdam. Afgelopen maandagavond 30 juni. De kerk zit stampvol. Vooraan koning Willem-Alexander, omringd door hoogwaardigheidsbekleders, ambassadeurs en oud-premiers. Op het podium een orkest. Daartussen een kleine, 93-jarige man. Hij is een overlevende van zeven concentratiekampen, waaronder Sobibor, en vertelt zijn verhaal. Jules Schelvis heet hij. Vijftig jaar heeft hij erover gezwegen. Nu wil hij dat niet meer. Opdat wij niet zouden vergeten.

Terwijl hij zijn verhaal voorleest trekken op een groot scherm de gruwelijkste beelden voorbij van deportatie, goederentreinen, gaskamers en massagraven. Met een voor zijn leeftijd opvallend heldere stem leest hij in niet te ontkomen bewoordingen zijn verhaal, van tijd tot tijd onderbroken door passende en indringende muziek van het Nationaal Symfonisch Kamerorkest en de mezzo-sopraan Marjolein Niels. Dat de zangeres mijn schoondochter is, is in dit verband niet relevant, maar maakt voor mij de ontroering nog intenser.
Jules Schelvis heeft de muziek zelf uitgekozen. “Muziek hield mij op de been, daar in Sobibor,” zegt hij.
De spanning in de kerk is te snijden. Hoewel het de kleine man lukt zijn emoties in bedwang te houden, kieren het verdriet, de ontzetting en de boosheid voortdurend door zijn verhaal heen.

Hij had een onbekommerde jeugd gehad, volgde een middelbare schoolopleiding, raakte verliefd op Rachel Borzykowski en trouwde haar in 1940. Op 26 mei 1943 werd hij gearresteerd, samen met Rachel en zijn schoonfamilie. Onder strenge bewaking werden zij naar een verzamelplaats gevoerd. En vandaar in trams, rijen trams naar het Muiderpoortstation. Meer dan drieduizend Joden op die ene dag.
“Stel u voor,” zegt Jules (en even kan hij zijn ontzetting niet bedwingen), “stel u voor: rijen volgepropte trams rijden door de stad onder het toeziend oog van honderden voorbijgangers die onverschillig lijken toe te kijken. Hoe heeft het kunnen gebeuren!”

Na een treinreis als het voorportaal van de hel, kwamen ze in Sobibor aan. Daar werden vrouwen en mannen gescheiden. “Voor ik het in de gaten had was Rachel weg. Ik heb haar niet meer gezien.” Jules probeert het zo zakelijk mogelijk te zeggen, bijna onderkoeld. Waarschijnlijk de enige manier om tranen binnen te houden. Veel luisteraars lukt dat niet.
Jules Schelvis wist op het laatste moment aan de gaskamer te ontkomen door zich als ArbeitsJude aan te melden. De anderen mochten gaan douchen. Ze werden in een ruimte geperst waar ieder een plekje ter grootte van een trottoirtegel tot zijn beschikking had. Het geluid van stromend water bleek het gesis van koolmonoxide. Op het scherm zien we bergen mensenhaar en stapels gebitten waarin Duitse bewakers naar goud graaien.

Jules Schelvis eindigt zijn verhaal met de woorden: “Ik heb u dit verteld omdat wij nooit mogen vergeten. Straks ben ik er niet meer en is de laatste overlevende er niet meer. Dan moet u het doorvertellen aan uw kinderen en aan uw kleinkinderen en aan de hele wereld.”
Woensdagavond deed hij zijn verhaal in Berlijn, gisteravond in Polen, vlak bij Sobibor.

Deze kleine, grote man mogen we niet in de kou laten staan. En daarom: Laten we doorvertellen aan onze kinderen dat ze niet achter dictaturen en ideologieën moeten aanlopen. Laten we doorvertellen aan onze kinderen dat het een heilloze weg is om anderen naar het leven te staan alleen omdat ze er anders uitzien of anders geloven. En als Palestijnen en Israeliërs elkaars kinderen doodschieten, laten wij dan aan ònze kinderen vertellen dat geweld altijd leidt tot meer geweld. En als de jihadisten hun broeders en zusters willen uitmoorden, of als de terroristen van Al-Shabaab hun verwoestende gang gaan, laten we dan onze kinderen het verhaal van Jules Schelvis vertellen.

Of om het met de bekende maar onsterfelijke woorden van de dichter Leo Vroman te zeggen:
“kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.”

Je kunt vanavond natuurlijk ook gewoon naar het voetbal kijken.