Mijn vader is geboren in 1917

De column van Lourens Portasse

27 september 2014 Lourens Portasse

Mijn vader is geboren in 1917. Mijn moeder is geboren in 1922. Mijn vader mocht van zijn ouders niet naar de middelbare school. Hij moest maar een baantje zoeken. Zelfs een huisbezoek van de bovenmeester mocht niet baten. Hij vond een baan. In de haven van Amsterdam. Werkte zichzelf op tot een beëdigd Weger, Meter en Teller. De lading van schepen en vrachtauto’s werd door hem namens verzender en ontvanger gewogen, gemeten en geteld. Zijn opschrijfboekje bepaalde de uiteindelijke afrekening.

Mijn ouders zijn geboren in Amsterdam Noord. Ze hebben elkaar ontmoet op het sportveld van de Volenwijckers, een voetbal en atletiekclub. Toen ze trouwden werd mijn moeder ontslagen als telefoniste door de omroepvereniging de AVRO. Geen getrouwde werkende vrouwen geaccepteerd. Mijn vader kwam pas in najaar 1945 terug in Nederland, na een wekenlange tocht vanuit STALAG IV, een krijgsgevangenen werkkamp in Oost Europa. Zijn verhaal over die tocht hebben mijn broer en ik helaas nooit boven water gekregen.

Ze kregen twee kinderen. Mijn broer en ik. Mijn vader heeft dag en nacht gewerkt om zijn kinderen te laten studeren. Dat is hem gelukt. Geen vader was trotser. Zijn pensioen viel nogal tegen. Het was beduidend minder dan altijd gedacht. Al het overwerk telde bijvoorbeeld niet mee. Zal ook wel in die naoorlogse jaren vaak zwart te zijn uitbetaald. Kwam het arbeidstempo ten goede, zullen we maar denken.

Het leven van mijn ouders bestond uit oorlog en hoop. Bestond uit kinderen grootbrengen en hoop. Die oorlog is nooit echt weg geweest en de hoop was onuitputtelijk. Zolang mijn broer en ik maar goed terecht kwamen. De tweede wereldoorlog was een kwade tijd. Je baan als getrouwde vrouw verliezen was een tegenvaller. Mijn moeder zei ooit dat ze de Koningin in die tijd niet haar baan dorsten af te nemen als getrouwde vrouw. De lafaards.

Het geld was wat schaars. Het pensioen minder dan gehoopt. Maar elke keer als de film: Amsterdamned uit 1988 weer eens op tv wordt vertoond, blijf ik altijd kijken totdat ik mijn moeder op een brug bij een draaiorgel zie dansen en mijn vader voorbij loopt met een jonge meid aan zijn arm. Zoiets heet een niet sprekende, zeer kleine rol. Ingehuurd als “volk”.

Zij hebben veel doorstaan, veel beleefd, veel gelachen. Zich met hun kinderen bemoeid. ‘Ja ,ma’. Gespeeld in menige film, tv serie en opera. Beiden zijn begraven op de ‘Nieuwe Ooster’ in Amsterdam. Ik herinner me nog steeds de zaterdagavond met mijn ouders bij onze kleine zwart wit televisie. Willy en Willeke Alberti. De Rudi Carrell show. Soms een fles Exota: champagne pils.

Soms wat gebakken kippenlevertjes of schelvislever uit blik op een toastje. En sinds de jaren ’60 zijn mijn ouders, weet ik nu, op het verkeerde been gezet. Voorgelogen eigenlijk. Want sinds kort heeft de fabrikant de blikjes schelvislever vervangen door blikjes kabeljauwlever. De inhoud is niet veranderd. Alleen de naam. Wat blijkt nu. Het is altijd al kabeljauwlever geweest, maar door een foutieve vertaling van een Deens producent is er ooit schelvislever op het blikje terecht gekomen. Mijn ouders hebben dus altijd gedacht dat ze schelvislever aten, terwijl het kabeljauwlever was.

Een excuus van de fabrikant aan mijn ouders is eigenlijk wel op zijn plaats. Om mijn misleide ouders in eren te houden blijf ik en mijn gezin schelvislever eten, het schelvislever noemen, terwijl op de verpakking staat: ‘vertrouwd product – nieuwe naam’. Je moet maar durven.