Denken is voor de mens de pest

De column van Lourens Portasse

4 juni 2016 Lourens Portasse

Waarom kunnen we het niet laten om gedichten te schrijven, liedjes te zingen en aquarellen te maken? En waarom genieten we zo van de kunstwerken van anderen? Voor evolutiebiologen zijn dit lastige vragen. Volgens de regels van de evolutie zouden kunstenaars immers allang uitgestorven moeten zijn, tenzij hun creatieve uitspattingen voordeel hadden voor overleving of voortplanting. Maar hoe kan kunst bijdragen aan een langer leven en meer kinderen? Frans Ellenbroek, directeur van het Natuurmuseum Brabant, bioloog, amateurschilder èn zanger tussen de schuifdeuren, denkt de antwoorden gevonden te hebben. In zijn boek over dit al, genaamd: "Biologische evolutie van de Kunsten".

Een korte uitleg: de neo cortex, de buitenste rand van de hersenschors werd in onze evolutionaire groei zo groot dat wij een soort van overcapaciteit in onze hersenen ontwikkelden. En wie meer herseninhoud en functies heeft dan hij praktisch kan gebruiken gaat uiteindelijk zitten tobben. Vervolgens zou tussen 100.000 en 50.000 jaar geleden de tobbende mens zich zijn gaan bekwamen in de kunst.

Een streepje of veeg op een rotswand leek op de hoorn van een rund en met wat lijnen toegevoegd begon het al aardig te lijken. Een glimlach van herkenning en mogelijk magische waarden voor een goede jacht werden ontwikkeld. Kunst werd een compensatie om het tobben te compenseren, te minimaliseren. En het was ook gewoon mooi om naar te kijken. Kunst zou een mannenaangelegenheid geweest kunnen zijn. De vrouw zorgde voor de sociale cohesie, de man zorgde voor een deels kinderlijke zoektocht naar oplossingen, naar nieuwe wegen. Deze speelsheid van de man was ook noodzakelijk om soms afstand te kunnen nemen van de traditie en iets nieuws te kunnen bedenken of bijvoorbeeld te tekenen, of anderszins iets uit te beelden.

De tobberige mens werd poëtisch onder woorden gebracht door Martinus Nijhoff, in zijn tweespraak tussen de Pierrot en de Harlekijn in de clowneske rapsodie: “Pierrot aan de lantaarn”:

Ik citeer de Harlekijn:

“Denken is voor de mens de pest!”
Al denkt hij nog zo opperbest,
Tenslotte wordt zijn hoofd te groot
En eindelijk denkt hij zich dood.”

Waarop de Pierrot antwoordt:

“Ik kan niet meer dan denken doen!

Tegen het eind van dit gedicht laat Nijhoff de Harlekijn zeggen:

“Nog nimmer kwam de grote nacht
En is een mens te rust gebracht.
Nieuw leven, maar met eender lot,
Staat klaar wanneer het oude rot”

Alsof het doek open gaat en de voorstelling kan beginnen.

Van tobben tot het ultieme totaaltheater.