Land van Handel

De column van Lourens Portasse

17 september 2016 Lourens Portasse

Nederland is altijd al het land van de handel geweest. Niets was ons vreemd genoeg, zolang er maar geld mee was te verdienen. We zwierven over de woeste, verre baren en vervoerden alles wat maar in het scheepsruim paste, mens en dier, thee en koffie, nootmuskaat en kruidnagel. We kwamen verre, exotische volken tegen. Geen probleem, zolang ze ons maar het alleenrecht van de handel gaven. Gaven ze dat niet, dan pakten we het wel, met diplomatie of geweld. Koloniën en overzeese gebiedsdelen werden ingelijfd.

Op Nederlandse bodem waren we ook niet echt van vreemde smetten vrij. De Portugese Joden, de Franse Hugenoten, de Chinese opiumschuivers in de Binnen Bantammerstraat in Amsterdam, de Belgische werkzoekers in 18e eeuw zijn maar een paar van de nieuwe Nederlanders van de voorafgaande eeuwen. Deze landverhuizers bleken voor Nederland economisch, cultureel en politiek vaak een goede zaak.

We waren vooral pragmatisch in onze omgang met deze landverhuizers. Een vorm van samenleven werd gevonden. In 2016 lijkt het, alsof we in Nederland moeilijk met anderen en moeilijk met onszelf kunnen omgaan. We zijn bijna verslaafd aan al onze vooroordelen aan het worden. We vinden het exotische niet langer leuk, spannend en aantrekkelijk. We vinden het meer en meer eng, eng en eng. Zelfs het Wereldmuseum in Rotterdam is dit jaar ten onder gegaan.

We stellen trouwens eisen aan immigranten, die we niet aan onszelf stellen. We kiezen trouwens volksvertegenwoordigers die ons vervolgens continue aan het ophitsen zijn, in de hoop daarmee meer zetels te bemachtigen. Toch reizen we, vaak met goedkope charters, naar het verre buitenland. We reizen steeds vaker en met steeds verder. Afrika, Zuid-Amerika, Australië, Thailand, Indonesië, eilanden in de Stille Zuidzee. Het maakt ons niet uit waar dat zandstrand zich bevindt. Zelfs over Cuba moet je niemand meer politiek bevragen. Een zandstrand is een zandstrand, okay! We willen de exotische medemens nog wel in het wild aanschouwen, in hun eigen biotoop, maar hoeven ze niet meer zo nodig in Nederland tegen te komen.

Op het verre strand je laten bedienen door kinderen en vervolgens vertederd en trots opmerken, dat wij in Nederland vroeger ook kinderarbeid kenden en kijk eens hoe goed wij terecht zijn gekomen. Niks aan de hand dus, die verre landen hebben toch ook het recht op hun eigen ontwikkeling vol met armoe, onderdrukking en kindersterfte.

En die exoten, die al in Nederland wonen, moeten goed begrijpen, dat je niemand mag doodsteken, dat je geen tasjes behoort te roven en niet zo moet spugen. Ze begrijpen trouwens heel goed, dat ze niet worden uitgezet naar het tweedepaspoortland. Hun toekomst ligt in Nederland. Zelfs het begraven in het oorsprongsland schijnt aan het afnemen te zijn. Ook de doden moeten in Nederland dus leren samenwonen.

De nazaten van de Portugese Joden, van de Frans Hugenoten van de Chinese opiumschuivers en de werkzoekende Belgen moeten goed begrijpen, dat je geen mensen het land uit moet willen zetten, dat een kop in de krant zoals "eigen schuld" gewoon niet kan en dat je het best af en toe eng mag vinden om met anderen te moeten samenleven.

Zolang Nederland maar een aantrekkelijk land blijft om naar toe te willen komen, naar toe te willen vluchten, in te willen wonen. Want als het voor die exoten uit die verre landen niet meer aantrekkelijk wordt om naar Nederland te komen, op dat moment is het ook voor ons gedaan. Dan moeten we allemaal een ander land van belofte zien te vinden.

Misschien zijn tegen die tijd Marokko en Turkije wel aantrekkelijke, democratische, verdraagzame landen geworden. Sommige Nederlanders hebben daar dan misschien nog wel verre familie wonen.

Nieuw Krimpen in Marokko.
Nieuw Krimpen in Turkije.

© Lourens Portasse