Bezoek aan de redactie
De column van Huib Neven
15 april 2017 Huib Neven
Vorige week zaterdag hield het dagblad waaraan ik mijn hele leven al Trouw ben, een lezersfestival. Een mooie gelegenheid om eens achter de schermen te kijken van die bundel papier waarmee ik de dag altijd begin. Actueel nieuws, losse floddertjes in de marges van de krant, de strip, achtergrondartikelen, de foto’s, de columns... ik beken maar eerlijk dat ik er verslaafd aan ben. De enkele keer dat de krant te laat of helemaal niet op de mat valt, loop ik ijsberend door het huis, als iemand die in een angstige droom naakt rondloopt, omdat hij zijn kleren niet kan vinden.
De ontvangst bij het krantengebouw aan de rand van Amsterdam was vorstelijk. Aan het eind van de rode loper stond de hoofdredacteur zelf. Ik herkende hem meteen. Er staat namelijk altijd een foto bij zijn hoofdredactioneel artikel. Maar in levenden lijve is het toch anders. Ik beefde van trots toen hij mij persoonlijk de hand drukte. Ik besloot ter plekke nooit meer vreemd te gaan met een andere krant.
Na de officiële en optimistische (het gaat goed met de krant) welkomstspeech van diezelfde hoofdredacteur, mochten we uit verschillende programmaonderdelen kiezen.
Eerst maar naar de Haagse redactie. De baas hiervan hielp ons meteen uit de brand. Je zou denken dat zo’n kabinetsformatie een boeiende en uitdagende periode is voor journalisten. Vergeet het maar. Uren en dagen staan ze daar bij de stadhouderskamer te wachten of een in- of uitgaande politicus zich soms verspreekt, of een tipje van de sluier wil oplichten. Maar de politici mogen niets zeggen. En ze weten precies hoe ze dat moeten doen: glimlachen, knikken en doorlopen. Er zit voor de verslaggevers niets anders op dan de journalistieke inkt te gebruiken voor de stropdas van Pechtold of het kapsel van Klaver. De Haagse redacteur gaf overigens een coalitie van VVD, CDA, D66 en GroenLinks weinig kans. Bovendien voorspelde hij dat het dit jaar niet gaat lukken een regering te vormen. We zullen zien.
Toen naar de zaal waar mijn favoriete columnist werd geïnterviewd. Volgens mij heeft die man de mooiste baan van de wereld. Hij reist met openbaar vervoer (een rijbewijs heeft hij nooit kunnen halen) heel Nederland door op zoek naar stof voor zijn stukjes. En hij weet uit helemaal niets de mooiste columns te schrijven. Ik heb altijd de indruk dat het bij mij omgekeerd is: uit van alles en nog wat een slechte column schrijven. Ik troost me maar met de gedachte dat er tussen zijn schitterende stukjes een enkele keer ook een minder geslaagde zit. Ook dat is bij mij omgekeerd.
We mochten ook in het redactielokaal kijken. Een grote ruimte met tientallen schermen die als vragende en zoekende ogen rondkeken. Je mocht zelf een voorpagina maken met je eigen foto. Maar de rij was mij te lang en een foto van mij op de voorpagina leek me niet zo’n goed idee. In het midden van de ruimte was een afgebakende cirkel waar de eindredactie zetelde. Die moet volgens mij zenuwen als staalkabels hebben. Moet je nagaan, om kwart over elf ’s avonds is de deadline. Tot die tijd moeten er onder hoogspanning talloze beslissingen genomen worden. Waar moeten we dat binnengekomen bericht plaatsen? Die foto past niet. De opmaak van de derde pagina is verschrikkelijk. Die kop is niet pakkend genoeg. En dat elke dag weer. De dames die het vertelden bleken over die staalkabels te beschikken. Ze hielden van hun werk, van de krant en van de spanning, al moesten ze toegeven dat ze vroeg in de ochtend doodmoe in hun bed tuimelden.
Stel je toch voor: om kwart over elf begint de productie van de krant en om zes uur rolt hij bij mij in de bus en kan ik aangekleed en wel mijn geliefde columnist lezen.
Mijn bewondering voor het werk van redacties, of het nu van de krant is of van een lokale omroep, is tot ongekende hoogte gestegen.
