Opwinding en troost
De column van Bert van Oosterhout
23 maart 2019 Bert van Oosterhout
Een keer per twee jaar vraagt mijn vrouw, met een dreigende ondertoon in haar stem, of de boekenkasten niet eens uitgezogen en afgestoft moeten worden. Hoewel de vraag mij niet onbekend voorkomt, word ik er telkens weer door verrast. Voor mij zijn die zes kasten als het ware een soort appartementen voor mijn ongeveer 2200 boeken; zeker geen opbergplaatsen die zonodig schoongemaakt moeten worden. Dus pak ik de stofzuiger en een emmer met sop en ga aan de slag. Maar niet dan na de gewaagde opmerking, dat mijn frontale aanval op het boekenstof enkele dagen gaat duren. Ze moet vooral niet denken dat ik er een haastklus van ga maken. Door ervaring wijs geworden, legt mijn levensgezellin zich daar minzaam glimlachend bij neer.
En dan begint het avontuur. Als een backpacker op leeftijd wandel ik in gepast tempo door het landschap van de literatuur. Lang vergeten vergezichten ontvouwen zich voor mijn verrukte oog. Verjaarde politieke opstellen blijken opeens nog verbazend actueel. En ontroerende memoires van God zoekende auteurs stemmen opnieuw tot nadenken. 'Wie schrijft die blijft' wordt gezegd en dat blijkt nog steeds een waarheid als een koe. Auteurs van naam en faam hebben mij bij de hand genomen. Als jong mens al bracht ik naast de nagloeiende kolenkachel in het ouderlijk huis halve nachten met hen door. Met de romanfiguren van Ernest Hemingway lag ik in de Spaanse burgeroorlog in een hinderlaag voor de soldaten van Franco. Op het wrakke schip de 'Exodus' – volgestouwd met uit Europa gevluchte joden – dobberde ik voor de kust van Palestina. En met Dante Alighieri nam ik een kijkje in de Hel.
Het zijn enkele willekeurig gekozen titels van de duizenden boeken die een leven lang met me mee reizen. Tot op de dag van vandaag duurt het avontuur, dat begon toen ik als jongetje van pakweg 10 jaar de uitleenbibliotheek in de wijk ontdekte. De roodharige uitbater van die kleine winkel heeft het nooit geweten, maar voor mij is zijn uitleen het vertrekpunt geweest van een nooit eindigende tocht door de letterkunde. Lang vóór ik kennismaakte met de eerder genoemde schrijvers, verslond ik de detectives van ene Edward Multon, een van de ongeveer 26 (!) pseudoniemen van de in Rotterdam geboren veelschrijver Herman Nicolaas van der Voort (1900 – 1982), die meer dan 200 titels op zijn naam bracht. Hem ben ik al lang uit het oog verloren. Het maakt niet uit, want zo goed waren boeken als Moordenaars onder de grond, Oorlog in de onderwereld en Gieren boven Manhattan nu ook weer niet. Toch hebben ze mij geraakt. Want ze namen mij mee naar een wereld die was opgetrokken uit fantasie. Waar geen beperkingen meer golden in tijd en ruimte. Niet voor de schrijver, niet voor de lezer. Een treffend voorbeeld van het vermogen dat de homo sapiens – de denkende mens – onderscheidt van elke andere diersoort op de planeet Aarde.
Zodoende kan ik nog steeds elk gewenst moment, als Alice in Wonderland, door de spiegel stappen en de nostalgische trip naar mijn jeugd maken. Daar kom ik terecht in een onbedorven landschap, waar de zon akkers en weilanden schroeit. Het ruikt er naar koeienstront en bij kleine boerderijen, waar de stad plaatsmaakt voor het platteland, staan melkbussen op het erf. Een grensgebied is het, maar de overgang verloopt als vanzelf. Hier dronken mijn vrienden en ik, jongens van 12, op zondagmorgen in de zomer, wanneer we werden verondersteld in de kerk te zitten, in een landelijke taveerne ons eerste glas bier. Een zoetig, donker brouwsel dat de keel en ons ego streelde, omdat bier drinken nu eenmaal mannenwerk is. Enkele van de voorafgaande alinea's ontleen ik aan een eerder gepubliceerde tekst van mijn hand. Die verscheen in 2016 in een bundel verhalen van schrijvers uit Krimpen en Capelle aan den Ijssel, onder de titel Passie aan de Ijssel.
Ik kon het niet laten, beste luisteraars, u deelgenoot te maken van het plezier, de opwinding, de spanning en de troost die boeken mij geven. Vandaag begint de Boekenweek. Dus wat let u: laat u ook opwinden, ontroeren of troosten.
Ik wens u een plezierig weekend. Tot de volgende keer.
