Een diepe buiging
De column van Bert van Oosterhout
4 mei 2019 Bert van Oosterhout
Het beeld wil niet van mijn netvlies. Normandie, 22 mei 2004, 's middags om 13.44 uur. Plaats van handeling: het dorp La Cambe. Vanaf de verhoging van een monument kijk ik uit over 21.200 graven van Duitse soldaten. Een eenzame man staat beneden me op de onafzienbare grasvlakte. Handen op de rug. Het hoofd licht gebogen om de naam op een grafsteen te kunnen lezen. Ik weet dat hij tranen in zijn ogen heeft. Hij is mijn broer.
Het was zestig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog. Eerder op de dag hadden we een saluut gebracht aan onder meer de Amerikaanse militaire begraafplaats in Colleville-sur-Mer. De laatste rustplaats van 9.387 jonge yanks die de oceaan waren overgestoken om ons te bevrijden. Het waren intense dagen, 15 jaar geleden op Omaha Beach en andere landingsplaatsen in Frankrijk. Vandaag, 4 mei 2019, is de herinnering eraan levendiger dan ooit.
Wat we in Normandie vooral beseften was hoe groot de omvang van de tragedie was. Haast niet voor te stellen. En daardoor soms bijna abstract. Zo niet vanavond op de begraafplaats aan de IJsseldijk. We staan er stil bij het offer dat mannen uit onze omgeving brachten voor onze vrijheid. Dat is allesbehalve abstract. Jong waren ze. Jong genoeg om te dromen. Plannen te maken. Te hopen op een tof leven. Maar in het ongelijke gevecht met de Duitse troepen hadden ze geen schijn van kans. Het was gauw voorbij. Sindsdien delen ze hier een graf in de luwte van oude bomen: Gerrit de Vries (29 jaar), Jan Mourik (31 jaar), Jan Buijs (20 jaar) en Johannes Nobel (29).
Ik heb geen van hen gekend. Om de eenvoudige reden dat ik toen hier niet woonde. Maar ik maak me sterk dat zij en ik en u, beste luisteraars, één ding gemeen hadden: het besef dat vrijheid onze vrijheid is. Waard om ons voor in te zetten als ze van binnenuit dan wel van buitenaf wordt bedreigd.
Burgemeester Vroom riep vorig jaar bij de Dodenherdenking in herinnering welk kwaad nazi-Duitsland met zich mee bracht. Dat jazz en abstracte kunst verboden werden, daar viel mee te leven. Het illustreerde uiteindelijk vooral de burgerlijke truttigheid van de nazi's. Maar de misdaad die Hitler en zijn trawanten begingen tegen o.a. homo's, joden, Sinti en communisten – daar zijn geen woorden voor.
Wanneer we vandaag een diepe buiging maken voor onze oorlogsslachtoffers, vieren wij feitelijk de vrijheid die zij niet meer hebben meegemaakt. Een vrijheid die niet uitsluitend door de nazi's werd onderdrukt. Ook door hun Japanse bondgenoten in wat we toen Nederlands Indië noemden. Hoe paradoxaal het ook is, we kunnen er niet omheen: Nederland herdenkt de slachtoffers van de Japanse bezetter in een kolonie, die eeuwenlang nu juist door ons werd geknecht. Over de naweeën daarvan kunnen onze Molukse dorpsgenoten ons vandaag de dag nog alles vertellen.
De afgelopen jaren is nogal eens de vraag opgeworpen of de vorm van de Dodenherdenking niet moet worden aangepast. Ze zou bijvoorbeeld niet meer uitsluitend de gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog moeten betreffen. Ook de gesneuvelden en gewonden van militaire acties in Korea, Afghanistan en andere landen verdienen ons respect. Daar is geen speld tussen te krijgen. Maar pas op, ben ik geneigd te zeggen, voor een Dodenherdenking light. Is het niet wezenlijk anders de Taliban te bestrijden, dan de bezetter van de Lage Landen gewapenderhand dwars te zitten?
Het lijkt me een boeiend onderwerp voor een respectvolle en serieuze discussie. Op een later tijdstip dan. Vanavond wil ik die even laten voor wat ze is. Om 19.30 uur sluit ik me op de dodenakker in ons dorp graag aan bij de herdenking van de gevallenen. Ik weet me in het illustere gezelschap van enkele veteranen. Zij hebben het kwaad overwonnen. Mijn respect hebben ze.
Ik wens u, beste luisteraars, een goed weekend. Tot de volgende keer.
