Pinkster-canon
De column van Bert van Oosterhout
8 juni 2019 Bert van Oosterhout
Vroeger was het altijd goed weer met Pinksteren. Of verbeeld ik me dat nou? Speelt mijn herinnering me parten? Het zou kunnen. Ik elk geval weet ik zeker dat we als jonge knapen in die prille Pinksterzon – waarschijnlijk in ons zondagse kloffie – naar de meiden lonkten. Nonchalant een sigaret erbij, uit een pakje Miss Blanche van 10 stuks.Voor de prijs van 45 cent (van de gulden) was je de man. En dan kon je ook nog voldoende van die geurige witte stokjes voor het volgende weekeinde bewaren.
Gewichtige jongensgesprekken metselden de uren van een lange dag aan elkaar. Meestal ging het over muziek. Daar wisten we alles van. Kenners zogezegd. Onze expertise ontleenden we aan de radio. Elke uitzending van elk dans- en swingorkest dat ons aanstond, werd beluisterd. En enthousiast becommentarieerd. Zo raakten we als vanzelf vertrouwd met de sound van The Ramblers, The Skymasters, het Metropole Orkest, The Millers en later De Dutch Swing College Band en tientallen andere ensembles, die in de na-oorlogse jaren als paddestoelen de grond uitschoten. We beleefden er veel plezier aan, als jongens. En niet alleen met Pinksteren. Andere tijden. Over serieuze zaken als de opwarming van de Aarde hadden we nog nooit gehoord. Die moest nog bedacht worden. Dus dat was in elk geval geen reden om je over op te winden.
Opgewonden werden we pas wanneer de Tour de France losbarstte en we via uitzinnige radioverslaggevers hoorden dat Wim van Est in een ravijn was gedonderd. Mazzel trouwens, dat z'n Pontiac nog tikte. De straat was onze natuurlijke hangplek. Begin- en eindpunt ook, van eindeloze tochten op krakkemikkige fietsen van een oerdegelijk vaderlands merk. Waarbij we altijd wel een band lek reden of een fietsketting moesten repareren. Merkwaardig genoeg was de wereld een stuk kleiner dan nu. Van Krimpen aan den IJssel hadden we nooit gehoord. Dat kwam pas 25 jaar later. Toen we gehoor gaven aan de zuigkracht van de Randstad en we daarmee voor altijd afscheid namen van onze jeugd. Het Hollands Diep en de IJssel markeren sindsdien het 'toen' en 'nu'. Alsof de golven onze herinneringen opstuwen.
En wat toen vanzelfsprekend was – daar worden nu vraagtekens bij geplaatst. Maar wat was dan eigenlijk zo vanzelfsprekend, denk ik achteraf. Samen met u, beste luisteraars, ga ik voor een antwoord even te rade bij wijlen de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig. In zijn boek Die Welt von Gestern sprak hij in 1970 over “...het gouden tijdperk van de Zekerheid. Dat was waar miljoenen mensen naar streefden. Wat het leven de moeite waard maakte. Ze geloofden dat de beste van alle werelden nog moest komen. De boosheid en het geweld van voorgaande eeuwen lag achter hen. En dat het altijd zo zou blijven.”
Een onwrikbaar geloof in de toekomst. Maar met zulke hooggestemde en naïeve gedachten hielden mijn jeugdvrienden en ik ons niet bezig. Dat begrijpt u. Zoals ik hiervoor al schetste, genoten wij van elke Pinksteren met goed weer. En zo groeiden we dan met vallen en opstaan naar het grote-mensen-bestaan.
Een genot is het, wat mij betreft, te kunnen vaststellen dat Pinksteren 2019 nog steeds een beetje dat onbevangen feest van vroeger is. Een gezellige mix van ingetogen overdenking en muzikale uitbundigheid. Niet ten offer gevallen aan de predikers van de 24-uurs-economie. Politici als het toenmalige D66-kamerlid Wouter Koolmees – tegenwoordig minister van sociale zaken en werkgelegenheid. Hij stelde ooit voor op Tweede Pinksterdag gewoon aan het werk te gaan. Dat is goed voor de economie. Want het bespaart een hoop geld. Ongetwijfeld waar. Maar in plaats van naar dit pragmatische D66-geluid te luisteren, genieten veel mensen morgen en overmorgen, twee dagen lang, van een ouderwetse Pinksteren in een moderne outfit. Ik doe van harte mee.
Ik wens u, beste luisteraars, een vrolijke Pinksteren. Tot de volgende keer.
