Een muzikale chimpansee

De column van Bert van Oosterhout

15 juni 2019 Bert van Oosterhout

In het gezellige radioprogramma Arbeidsvitaminen kwam de melodie weer eens voorbij: Music was my first love. En bingo, meteen was ik terug in de jaren '70. Wat een liedje al niet kan doen. Hoe het John Miles, de zanger die een wereldhit had met deze song, is vergaan weet ik niet. Ik voel me daarom een beetje een ontrouwe fan. Als goedmakertje ten opzichte van de artiest, draai ik de volumeknop dan maar extra ver open, zodra ik de eerste akkoorden van Music etc hoor.

Muziek was mijn eerste liefde. En het zal ook mijn laatste zijn. Ik had het zelf kunnen bedenken. Twee trefzekere zinnen. In al hun eenvoud vatten ze een levenslange passie samen. Muziek was er altijd. In alle soorten en maten. In alle kleuren en tempi. Meer dan wat ook is het een wonder op zichzelf. Sta me toe dat ik u bij de hand neem. Voor mij ligt een A4-tje. Maagdelijk wit. Daar gaan wij nu eens even een simpel liedje op noteren. Nee dus. Wat ik ook probeer, er gebeurt niets. Ja, misschien bij u wel. Als dat zo is, hoort u kennelijk bij de uitverkorenen. Ik bedoel maar: wat we als gewoon ervaren, muziek is er nu eenmaal, blijft voor mij een mirakel. Als een spons zoog ik ooit mijn allereerste muziek op. En dat is nooit echt veranderd. Een leven zonder muziek – ik moet er niet aan denken.

Het kan bijna geen toeval zijn dat ik enkele zeer getalenteerde muzikale vrienden heb. Cees, telg uit een muzikale familie, tovert nog steeds lekkere vette swing uit accordeon en toetsen. Jean zong als tenor jarenlang de sterren van de hemel in opera en operette. Die sterren hingen uiteraard in het decor. En Louis is niet alleen een vaardige jazz-gitarist. Hij weet ook van wanten op de drums. Zelf ben ik een toetsenist op schrijfmachine en computer. Pogingen een gitaar mijn wil op te leggen waren geen succes. Ik blijf de luisterende liefhebber. Dat is mij genoeg. Wel wil ik hierbij aantekenen dat ik op het ritme van trompet, trombone, klarinet, banjo en drums bij tijd en wijle lelijk uit mijn dak kan gaan. Dat u het weet.

En deze mag ik u niet onthouden... het tienerbandje waarvan ik deel uitmaakte, is misschien wel het enige dat ooit optrad voor de tijdelijke bewoners van het Huis van Bewaring in Breda. Het was een gezellige middag met muziek, spelletjes en voor de winnaar.. een reep chocola. Tegenwoordig is een reep van Verkade niet meer in trek in de bajes. Voor minder dan een snuifje van het naar binnen gesmokkelde witte poeder komt geen gedetineerde meer in beweging, vermoed ik. Maar dit terzijde.

Bij al deze mijmeringen over muziek moet het volgende me toch ook van het hart. In deze in politiek opzicht roerige tijden, hoor ik verontrustende geluiden. Sommige politieke partijen rechts van het midden, beschouwen alles wat we gemakshalve onder kunst verstaan als een linkse hobby. En die moet vooral niet van uw en mijn belastingcentjes in leven worden gehouden. Als ik het goed begrijp, willen ze dat kunstenaars, musea, theaters en vergelijkbare instellingen, hun eigen broek ophouden. Subsidies zijn uit den boze. Beter die aan andere voorzieningen te besteden.

Het staat iedereen vrij er zo over te denken. Maar het lijkt me aantrekkelijker het ene te doen en het andere niet te laten. Een gerobotiseerde wereld zonder muziek – die willen we niet. Al helemaal niet als dan ook nog de literatuur, de film, de beeldhouw- en schilderkunst worden bijgezet in het knekelhuis. Dan zijn we pas echt terug bij onze oorsprong: de wereld van de apen. Hoewel, misschien is dat niet eens zo erg als het lijkt. In de film Out of Africa (Sidney Pollack, 1984), met het magistrale duo Meryl Streep en Robert Redford in de hoofdrollen, luistert een chimpansee geboeid naar een klarinetconcert van Mozart. Zo kan het dus ook. Blijkbaar was deze chimp een gevoeliger persoon dan die politici die zeuren over subsidie voor kunst en cultuur.

Ik wens u, beste luisteraars, een goed weekend. Tot de volgende keer.