De meiden van Sarina

De column van Bert van Oosterhout

22 juni 2019 Bert van Oosterhout

Wie had ooit kunnen denken dat ik nog eens opgewonden zou raken van elf voetballende meiden? Ik, die niet de flauwste notie heb van wat het verschil is tussen de Eredivisie voetbal en de Jupiler league. Die sowieso vind dat radio en televisie veel te veel aandacht besteden aan sport. Maar ik kan er niet omheen. Het is gebeurd. Vivianne Miedema, Shanice van de Sanden en Lieke Martens kregen het voor elkaar. Voetballende vrouwen van wie ik tot voor kort nooit had gehoord. Van wier bestaan ik mij dus niet eens bewust was. Laat staan dat ik wist dat deze leeuwinnen een min of meer goed belegde boterham verdienen bij buitenlandse voetbalclubs.

Dat veranderde allemaal toen bondscoach Sarina Wiegman haar Oranje selectie naar het Europees Kampioenschap bracht. Wat aarzelend begon als een avondje half geïnteresseerd tv kijken, liep uit op De Ware Voetbal Liefde – met hoofdletters. In no time waren de 11 van Sarina onze meiden. Die vanaf de bank door ons werden bejubeld bij elke geslaagde pass, elk doelpunt. Hier waren we plotseling getuige van een potje fris voetbal. Een verademing,vergeleken met wat we de afgelopen jaren soms meemaakten met de Oranjemannen. Voetballende miljonairs die, ondanks hun idioot hoge salarissen, lang niet altijd iets behoorlijks op de grasmat leggen.

En toen ineens waren daar de meiden. Een nieuw nationaal elftal. Bijna van het eerste fluitsignaal af populair bij een groot publiek. Gefêteerd niet alleen om zijn prestaties. Ook om de spontaniteit van de meiden op en buiten de velden. De pure blijdschap van hun optreden. Zo anders dan de ingestudeerde praatjes van de mannelijke collega's. Collega's? 'Ho eens even', hoor ik daar zeggen. 'Moeten we die meiden als collega's van de mannen zien? Als evenwaardige sporters? Doe even normaal, ja. Laat ze eerst maar eens leren voetballen.'

U begrijpt het, hier zijn de traditionele azijnpissers aan het woord. De analytici van de sportprogramma's op radio en tv, voor wie het nooit goed is. Die in de verblinding van hun waanwijsheid niet zien dat met de komst van de Oranje leeuwinnen een nieuw tijdperk is aangebroken. Niet meer en niet minder. Zoals Angela de Jong in het AD schreef: 'Mannen, wen er maar aan.' En gelijk heeft ze.

In een voorspelbare Pavlov-reactie bracht de tv-kabouter Johan Derksen met veel aplomb naar voren dat hij weigert naar het vrouwenvoetbal te kijken. Zoveel amateurisme – daar kan hij niet tegen. Nou, dat kan een bekeerling als ik natuurlijk geen bal schelen. Derksen heeft als vanzelfsprekend recht op zijn tv-schnabbel. Zodra hij in beeld komt, zetten wij het beeld wel op zwart. Altijd nog boeiender dat zijn gespeelde gewauwel.

Toen het vaderlandse meidenteam twee jaar geleden in de finale van het Europees Kampioenschap optrad, zaten 4,1 miljoen mensen voor hun tv. Had iemand nog wat? Ruim 4 miljoen kijkers ieten daarmee zien dat ze het vrouwenvoetbal serieus nemen. Wat maakt het uit dat het mannenvoetbal – als de heren op dreef zijn – van een andere orde is? En trouwens, waarom zouden we vergelijken?

Wanneer Naromi Kromowidjojo weer eens toeslaat bij de 50 meter vrije slag, vergelijkt niemand haar zwemprestatie met die van de mannen. Bij atletiek of tennis gebeurt het al evenmin. Terecht natuurlijk. Waarom dan wel als het om de vrouwen van Oranje gaat? Heeft het misschien ermee te maken dat sommige tv-babbelaars hun aangeboren haantjesgedrag nog niet zijn ontgroeid? Heeft de status van bn-er wellicht hun vermogen te onderscheiden aangetast? Soms wekken ze die indruk. Maar kom, laten we hen niet te hard vallen, dat handjevol heren. Een beetje genuanceerd denken is nu eenmaal niet iedereen gegeven.

Intussen zagen we de Meiden van Sarina afgelopen donderdag weer bezig. Een topper werd het niet, tegen Canada. Ook al pakten die van ons de winst. In die af en toe wat gezapige wedstrijd greep de spanning me soms toch naar de strot. Hoe het ook zij, voorlopig is de buit binnen. We blijven kijken.

Ik wens u, beste luisteraars, een plezierig weekeinde. Tot de volgende keer.