Bratwurst en poëzie
De column van Bert van Oosterhout
31 augustus 2019 Bert van Oosterhout
In de prehistorie van mijn bestaan reisde ik eens naar Beieren. Het was mijn eerste buitenlandse vakantietrip ooit. Met mijn lief van toen en nu, en een stel goede vrienden, tuften we in een zuchtende en steunende stoomtrein naar Oberaudorf. Geen idee waarom de keus op dit lieflijke bergdorpje was gevallen. Misschien omdat onze vrienden geboren en getogen Limburgers zijn en daarom, meer dan wij Brabanders, vertrouwd waren met het grote buurland Duitsland.
Het Beierse bergland, de ruime kamers in pension Haus Funk en de voortreffelijke Zigeuner-, Wiener- en andere Schnitzels in gemütliche taveernen, bevielen ons uitstekend. Ik durf er een aardige fles Liebfraumilch om te verwedden, dat het decor van toen niet of nauwelijks is veranderd. We zijn er sindsdien nooit meer geweest. Het is een soort ijzeren wet dat vakanties zich aanpassen aan nieuwe omstandigheden. Ons verging het niet anders. Maar één ding veranderde met nadruk niet.
Welke heerlijke plekken we daarna in en buiten Europa ook bezochten, onze belangstelling voor het Duitse landschap, de boeiende steden, indrukwekkende rivieren en de majestueuze bergen is tot op de dag van vandaag blijven bestaan. Om maar te zwijgen over kunst en literatuur, een schatkamer vol hoogte- punten. Voor een goed begrip: die belangstelling werd niet in het Beierse hooggebergte geboren. Ze was er in beginsel al. Niet verwonderlijk voor wie weet, of zich herinnert, dat Engels, Frans en Duits een vast onderdeel waren van het lesprogramma op de toenmalige mulo, hbs en gymnasium.
En wie als scholier het geluk had een bevlogen leraar te treffen, raakte als vanzelfsprekend vertrouwd met een vreemde taal, maar ook met de letterkunde in die taal. Ruim zestig jaar na dato, denk ik daarom nog met plezier terug aan mijn leraren Engels en Duits. Zij wezen mij de weg naar een ongedachte horizon. Een weg die boek voor boek moest worden veroverd. Een onderneming die soms hoge eisen stelde aan het voorstellingsvermogen. Maar die in the end altijd de moeite waard was.
Hier aan denkend, wekt het op zijn minst verbazing dat het vak Duits in het voortgezet onderwijs momenteel zwaar onder vuur ligt. Dat wisten we eigenlijk al, maar o.m. het Duitsland Instituut Amsterdam (DIA) luidde eerder deze maand toch weer eens de noodklok. En niet ten onrechte. Dit kenniscentrum over Duitsland merkte op, en ik citeer het AD, : 'Scholen kunnen zeggen: wij vinden geen docent Duits, dus we gaan Spaans geven. Dat is schandalig. Iedereen moet de buurtalen leren.' Niet in de laatste plaats omdat 'Duitsland onze grootste handelspartner is, goed voor een waarde van bijna 190 miljard euro in 2018.'
Ik kan moeilijk ontkennen dat het Duitsland Instituut hier een valide argument hanteert. Zo'n zak pegulanten kunnen we natuurlijk niet in gevaar brengen door de Duitse taal te verwaarlozen. Maar in de discussie over dit onderwerp mis ik even het besef dat de Duitse cultuur – afgezien van het onvoorstelbare kwaad van het zogenoemde Derde Rijk – het Westen veel heeft geschonken.
Nu weet ik ook dat je van poëzie niet kunt eten en van Bratwurst en Sauerkraut wel. Anders gezegd leer die taal, want het komt je van pas in de handel. Maar laat dat niet het enige motief zijn. Gooi niet het kind met het badwater weg. Blaas de studie Duitslandkunde – wat en hoe in Duitsland, inclusief de taal – nieuw leven in. Hier komen we helaas wel in een vicieuze cirkel terecht. Tegenwoordig moeten middelbare scholen in de onderbouw naast Engels één (vmbo) of twee (havo, vwo) vreemde talen aanbieden. Maar Frans of Duits mag worden vervangen door wel erg vreemde talen als Turks, Chinees of Arabisch. De ironie wil dat voor deze talen betrekkelijk gemakkelijk leraren te vinden zijn.
Minder Duits in het pakket, betekent minder studenten in die taal. Dus minder leraren. Dus minder leerlingen. Nog even en het Duits is, zoals het latijn, een dode taal. Bij wijze van spreken dan. Want zover gaat het niet komen. Alleen al omdat duizenden Nederlanders inmiddels het Manifest Buurtalen steunen. Een dringend pleidooi om o.m. het vak Duits te redden. Zandzakken voor de deur, zal ik maar zeggen, om te voorkomen dat het Duits en Frans uit ons onderwijs wegspoelen.
Het zijn bepaald niet de minsten die via het manifest de reddingsboei hebben uitgeworpen. En het worden er steeds meer. Het zal dit nieuwe schooljaar zeker niet goed komen. Maar ik heb toch het gevoel dat we op termijn deze slag wel binnen gaan halen. Tschüss.
Ik wens u, beste luisteraars, een prettig weekend. Tot de volgende keer.
