Kappen met dat gedram...
De column van Bert van Oosterhout
5 oktober 2019 Bert van Oosterhout
Ik weet niet of het u is opgevallen, maar bijna stilletjes wordt de vaderlandse geschiedenis herschreven. Want wat u en ik ooit over ons verleden leerden, zit bij nader inzien anders in elkaar. Historische personen voor wie we standbeelden en praalgraven hebben opgericht, naar wie straten zijn genoemd, deugden dikwijls voor geen meter. Allerminst een reden dus om hen met beelden, schilderijen en straatnamen in het zonnetje te zetten.
Blijkbaar komt de wijsheid achteraf. Voortschrijdend inzicht heet dat ook wel. Dat betekent op zijn minst dat de Nederlander anno 2019 de wereld om zich heen met andere ogen bekijkt dan zijn zeventiende-eeuwse voorouders. Eventuele heldendaden en schurkenstreken van verre familieleden wegen we nu anders dan in het verleden.
Een kniesoor die daar op let, zou ik zeggen. Het spreekt toch vanzelf dat we op gezette tijden onze mening over van alles en nog wat bijstellen. Het zou zelfs vreemd zijn – wereldvreemd eigenlijk – als we dat niet doen. En bepalend is natuurlijk hoe anders we terug kijken.
Kijken we achteraf met begrip naar een Holland dat het stadium van bossen, zandverstuivingen en moerassen nauwelijks achter zich had gelaten? Zien we een verzameling provincies op weg naar een staatkundig geheel? Verheerlijken we een verstedelijkte samenleving, die met haar oorlogsvloot in de Oost en de West koloniën stichtte?
Gewone vragen die geen simpele antwoorden kennen. Dat werd bijvoorbeeld snel duidelijk toen enkele jaren geleden de discussie over zoiets banaals als Zwarte Piet de kop op stak. Zwarte Piet, witte Piet, schoorsteen Piet – ga er maar aan staan. De kleine zwart gelokte krullenbol werd al ras een metafoor voor onderdrukking en slavernij. Nooit zo bedoeld natuurlijk, maar dat krijg je de goedgebekte politica Sylvana Simons echt niet aan het verstand gepeuterd.
Ik zei het al, in de publieke discussie gaat het erom hoe je kijkt. Die krijgshaftige kerels die in heel het land, meer dan levensgroot, te paard en in brons, staan te shinen wegens eeuwen geleden verrichte heldendaden, waren naar de huidige maatstaven tamelijk ordinaire schurken. Aan hen en hun Verenigde Oost- Indische Compagnie (VOC), heeft menigeen in dit land trouwens wel het familievermogen te danken.
Waarvan akte. Tom van der Molen, conservator bij het Amsterdams Museum, heeft er ook over nagedacht. Het was niet alles goud wat er blonk, in de Zeventiende Eeuw, zo stelde hij kortgeleden vast. Daarom is de naam Gouden Eeuw voortaan taboe in zijn museum.
Aan dat idee hebben we toch echt even moeten wennen. Geen wonder als je, zoals ik, op de basisschool werd opgevoed met teksten als deze:” De zeventiende eeuw was voor de meeste Noord-Nederlandse gewesten een tijd van grote bloei en voorspoed. Daarom draagt die eeuw de naam Gouden Eeuw.
De handel bloeide als nooit tevoren. Negentig procent van de schepen die door de Sont hout en metalen uit Scandinavië aanvoerden, behoorde aan Amsterdamse reders. Met Spanje en Portugal werd druk handel gedreven. Indische specerijen, laken en linnen gingen naar Italië en de Levant. Zuidvruchten, marmer, tapijten, kant, geweven stoffen, wijn etc. kwamen mee terug.”
Voorspoed alom dus. Voor de happy few dan.Want op het platteland was elke vorm van welstand onbekend. Het leed onder landlopers en bedelaars. Wegen waren zo goed als onbegaanbaar.
En toch – als ik mijn geschiedenisboekje van de basisschool mag geloven – maakte de bevolking ook pret. Spelletjes als kaatsen en kegelen waren populair. Bruiloften, doopmalen en begrafenissen ontaardden dikwijls in drinkpartijen. Als dat geen pret is.
Schetst mijn leerboek - circa 70 jaar geleden vermoedelijk stiekem mee naar huis genomen, zeg maar gewoon gejat – de zeventiende eeuwse werkelijkheid ? Ik heb mijn twijfels. Maar om nu op stel en sprong de term Gouden Eeuw in de ban te doen, dat gaat me te ver. Het lijkt me te politiek correct.
Een zekere verbetenheid valt te beluisteren, zodra de moderne pleitbezorgers van de eeuwige historische waarheid hun mond open doen. Een knieval, excuses en een schep geld voor de nog levende nazaten, is zo ongeveer het minste wat onze regering namens ons mag doen. Mag doen? Moet doen. Doet ze zulks niet, maakt ze zich, volgens genoemde pleitbezorgers, schuldig aan geschiedvervalsing en discriminatie.
Over overdrijving gesproken zeg. Het is ook mij niet onbekend dat onze voorvaderen het in een groot aantal opzichten van eieren hebben gemaakt. En dan druk ik me nog eufemistisch uit. Met nieuwe ogen naar het verleden kijken – het lijkt me zo maar een goede zaak. Maar u en ik kunnen ook niet helpen wat generaties voor ons zoal hebben uitgespookt. Met andere woorden, kappen met dat gedram over het verleden.
Ik wens u, beste luisteraars, een plezierig weekend. Tot de volgende keer.
