Een grenzeloos vervelend landje

De column van Bert van Oosterhout

16 november 2019 Bert van Oosterhout

Door nieuwsgierigheid gedreven reisde ik in het najaar van 1979 naar de DDR. Ik wilde wel eens met eigen ogen zien wat zich achter de Berlijnse Muur afspeelde. Het tijdstip was niet willekeurig gekozen. Het soldaten- en arbeidersparadijs bestond 30 jaar en het hunkerde naar internationale erkenning. Daarom werd een inreisvisum vlotter verstrekt dan voorheen. Ook in mijn geval.

En zo gebeurde het dat ik 10 jaar vóór de val van De Muur door de Deutsche Demokratische Republik reisde. Vorige week werd uitbundig herdacht dat die muur uiteindelijk werd gesloopt. Met de sloop kwam een einde aan een sociaal en politiek experiment dat zijn weerga niet kent. Gelukkig maar, want één keer zo'n spectaculaire mislukking is meer dan genoeg.

En daar liep ik dan. Door de levende geschiedenis. Al mijn antennes in werking, want ik wilde geen signaal missen van die andere wereld waarin ik was terecht gekomen.

Het feestgedruis rondom het dertigjarig bestaan van de DDR was net weggeëbd. Zeventien miljoen 'kameraden' aan gene zijde van de Muur waren weer overgegaan tot de orde van de dag. Alleen de spandoeken, vlaggen en wimpels herinnerden nog aan de feestelijke herdenking. 'Dertig jaar werken voor het welzijn van het volk'. Zulke en overeenkomstige teksten fleurden het straatbeeld op.

Elke dictatuur, of ze nu links is of rechts, bedient zich graag van mooie en aansprekende symbolen. De DDR was daarop geen uitzondering. Van buitenaf bekeken zag het leven er vriendelijk uit. Aan de voet van de ruim 200 meter hoge Fernsehturm op de Alexanderplatz in Berlijn heerste nauwelijks minder opgewekte bedrijvigheid dan op de Lijnbaan in Rotterdam. Theaters, bioscopen en de opera waren doorlopend uitverkocht. Restaurants werden goed bezocht en niet zelden werd er gegeten in avondjurk en net pak.

Toch kreeg ik na enkele dagen in de DDR het gevoel dat er iets ontbrak. Er klopte iets niet met het decor van burgerlijke gezelligheid. Het leven verliep te gladjes. Orde en rust waren te nadrukkelijk.

Zodra dit besef doorbrak, werd duidelijk wat er mis was: elke vorm van fantasie leek uitgebannen. De Duitse Democratische Republiek was een grenzeloos vervelend landje. Zijn inwoners leden door de over-organisatie van hun bestaan aan geestelijke ademnood. Het bezoek aan theater en restaurant was daardoor eerder een vlucht dan een uitje.

In materieel opzicht waren de Ossies best redelijk verzorgd. Veel producten waren weliswaar schaars of gewoon niet te koop. Maar niemand leed honger, al kwam die eeuwige kool soms je strot uit. En zeven tot acht jaar op een wachtlijst staan voor je zo'n stinkende tweetakt Trabant kon kopen, was natuurlijk ook geen lolletje.

Het kwam hier op neer: de Oostduitsers betaalden uiteindelijk een soort te hoge btw op het leven zelf. De meerwaarde van het bestaan was hen door het systeem ontnomen. Vrijblijvend bezig zijn, zonder speciaal doel, zonder algemeen nut – dat bestond niet.

De DDR was er officieel natuurlijk voor haar burgers. Maar in de praktijk werkte het eerder andersom. En toch......en toch....Er waren mensen – en heus niet weinig – die er in geloofden. Voor wie het onomstotelijk vaststond, dat deze samenleving de enige was die de mens nam als maatstaf van alle dingen. Daar kunnen wij, wat mij betreft, anno 2019 nog wel wat van leren. Maar dit terzijde.

Wie er ook in geloofde, was Walter Klode. Een vriendelijke, zachtaardige man van 68 jaar, die mijn begeleider was tijdens mijn reis door de republiek. Zijn thuisbasis was de Propaganda-afdeling van de communistische partij. Voila, weten we meteen wat we aan elkaar hebben. U denkt toch niet dat ik op eigen houtje de marxistisch-leninistische heilstaat mocht doorkruisen. Zo werkte het duidelijk niet.

Een communist van de oude stempel, was hij. Geëerd verzetsstrijder tegen de Hitler-bendes. Ik weet niet of hij nog leeft. Mocht hij de val van de Muur hebben meegemaakt, dan is daarmee meteen ook zijn wereldbeeld gesloopt. Ik hoop echt dat dat hem bespaard is gebleven. Ik vond hem aardig.

In de kern van de zaak was de DDR geen land, maar een grote club. Hiep, hiep, hoera voor het vaderland, de Sovjetunie, vriendschap met het broedervolk van Cuba, Angola, El Salvador enz. enz. En niet gaan zitten kniezen in een hoekje. Wel meedoen graag. Er was geen ontkomen aan.

Hoe je je gedroeg in de club en er buiten werd nauwgezet in de gaten gehouden door de gehate Staatssicherheit, beter bekend als de Stasi. In alle lagen van de samenleving had zij haar agenten. Als je broer geen geheim agent was, die jou in de gaten hield, was je vader het wel.

In zo'n samenleving wil je toch niet leven? Mooi wel dus. Nog steeds sluiten voormalige Oostduitsers de ogen voor de misdaden van de Stasi, om ruimte te geven aan hun verlangen naar het geordende om niet te zeggen, gezapige leventje van toen.

Deze herinneringen dringen zich onvermijdelijk op naar aanleiding van de herdenking van de val van de Muur. De DDR was eigenlijk vóór alles een mentaliteit. Maar zodra het kon, namen honderdduizenden toch de benen. Op naar de vrijheid.

Voor de meesten werd dat een bittere teleurstelling. Gewantrouwd, met de nek aangekeken, met de verkeerde opleiding, kwamen ze in het westen niet aan de bak. In die situatie is sindsdien niet veel veranderd. Daarom vraag ik me af, en dat niet voor het eerst, wie is er door de val van de Muur nu eigenlijk bevrijd?

Ik wens u, beste luisteraars, een plezierig weekend. Tot de volgende keer.