Een vonk in mijn gemoed
De column van Bert van Oosterhout
30 november 2019 Bert van Oosterhout
In de vloedgolf van berichten over de Brexit, Syrie, opstandige boeren en stakende verzorgenden en verpleegkundigen, viel het nieuws nauwelijks op: De Nobelprijs voor de Vrede 2019 is toegekend aan de Ethiopische premier Abiy Ahmed. Nou en? In Krimpen stonden we net te juichen omdat wethouder John Janson van minister Cora van Nieuwenhuizen had gehoord dat de knelpunten van de Algera corridor kunnen worden aangepakt. En even eerder had zijn collega Kirsten Jaarsma met 142 wethouders een retourtje Den Haag gemaakt – nog nooit vertoond – om bij minister Hugo de Jonge te protesteren tegen de bezuinigingen op de toch al zieltogende jeugdzorg.
Ik bedoel maar, reuring genoeg. En dan wil zo'n bericht over de Nobelprijs voor de Vrede nog wel eens over het hoofd worden gezien. Trouwens, Abiy Ahmed, wie mag dat dan wel wezen? Nooit van gehoord, zegt u misschien. Begrijp ik. Maar hij is de wonderboy die sinds vorig jaar in Ethiopië aan de touwtjes trekt. Kenners noemen hem al de meest inspirerende Afrikaanse leider sinds Nelson Mandela. En dat zegt nogal wat. Of hij aan de verwachtingen gaat voldoen zullen we zien. Daar wil ik het ook niet over hebben. Wel over de vonk in mijn gemoed toen ik van de Vredesprijs hoorde. Onwillekeurig werd ik 32 jaar terug gezet in de tijd. Naar die andere wonderboy. Winnaar van de Nobelprijs voor de Vrede 1986: ELIE WIESEL.
In een live uitzending van het Zweites Deutsches Fernsehen zag en hoorde ik het ontroerende dankwoord van Wiesel toen hem in het Raadhuis van Oslo de Nobelprijs werd uitgereikt. Het was een winterdag in 1986. Daar en toen voor de tv, zei ik tegen mezelf: deze man moet ik interviewen. En het geluk was met mij. Ik was welkom bij hem thuis in New York. 'Schrijver, leraar, getuige'. Zo luidt de inscriptie op de Gouden medaille van het Congres, de hoogste onderscheiding die de Verenigde Staten kennen. President Reagan reikte haar in 1985 uit aan Elie Wiesel en bij die gelegenheid schreef het New York Times Magazine: 'Wiesel viert de triomf van het overleven, van zingen en dansen ondanks de pijn in het hart.' Mooie, dichterlijke woorden. Goed bedoeld en ongetwijfeld besteed aan de kleine, broze man die tegenover me zit. Zijn ogen, die me beurtelings indringend en zacht glanzend aankijken, dwalen af en toe naar buiten, waar een kille regen tegen de wolkenkrabbers op Third Avenue plenst. Er zit sneeuw in de lucht.
De triomf van het overleven. Hij kijkt me aan. Verbeeld ik het me, of schijnt er door die ogen heen nu echt iets van een onpeilbare pijn? Verdriet, dat zich voor altijd heeft genesteld in deze frêle jood, die getuige is geweest van onbeschrijfelijk kwaad. Viert hij werkelijk de triomf van het overleven? is de vraag. “Nee, ik kan het niet. Het zou onnatuurlijk voor mij zijn wat dan ook te vieren. Mijn generatie is beroofd van veel vermogens. En of we het willen toegeven of niet – Hitler heeft gewonnen. Hij heeft te veel mensen vermoord. Het ging te gemakkelijk. Hij verminkte een volk. Hij schond ieder menselijk wezen van dat volk. Ik geloof dat hij alle mensen schond. Niet alleen de joden.
Ik bedoel maar, hoe kunnen we over triomf praten. Laat staan over het vieren ervan? We kunnen hooguit een wanhopige poging doen de herinnering in stand te houden. Meer is er niet.” Geen ogenblik heeft hij zijn stem verheven. Hij praat zo zacht dat het zelfs op nauwelijks een meter afstand moeite kost hem te verstaan. Wonderlijk, want ditzelfde stemgeluid draagt toch heel ver. Het is alsof het weet door te dringen zonder volume. Verstaanbaar enkel en alleen door de trefzekerheid van de woorden. Een vroegrijp, intelligent joods jongetje was hij, uit Sighet in Transsylvanië. Een stadje dat in de loop van de geschiedenis nu eens bij Hongarije, dan weer bij Roemenië werd gevoegd. Hij keek het Grote Kwaad in de ogen. In vier concentratiekampen van nazi-Duitsland. Zijn moeder, vader en zijn jongste zus overleefden het niet.
“Toen de Duitsers in 1944 in mijn geboorteplaats kwamen, zeiden sommige optimisten onder ons: ach, ze kunnen toch niet alle joden vermoorden. Ze hebben ons nodig. Ze kunnen immers geen stad achterlaten zonder dokters, middenstanders.... dat waren bijna allemaal joden. Maar de nazi's zeiden: niemand is onvervangbaar. Ik daarentegen zeg liever: iedereen is onvervangbaar. Ieder mens is onvervangbaar.” Door de gesloten ramen dringen geluiden van de straat naar binnen. Hoewel de ochtend op zijn eind loopt, wil het buiten maar niet echt licht worden. New York doet zijn kerstinkopen. In menige etalage staat de christelijke kerstboom naast de menorah, de zevenarmige joodse kandelaar.
Traditiegetrouw reageren ook de Newyorkers op de prikkel van kerstlichtjes en Santa Claus. Zou die hang naar gezelligheid misschien toch betekenen dat mensen diep in hun binnenste geprogrammeerd zijn voor het goede? Elie Wiesel weet het niet. Urenlang hebben we, als het ware op de tast, gezocht naar de wortels van het kwaad. Voor minder doen we het niet. Ik ben niet voor niets naar New York afgereisd. Maar de denker, schrijver, overlevende en winnaar van de Nobelprijs, helpt me niet uit de brand. Het is niet anders.
Ik wilde u, beste luisteraars, even deelgenoot maken van deze meer dan bijzondere ontmoeting. Met een man aan wie ik ook na ruim 30 jaar nog dikwijls denk. De Ethiopische premier, die komende maand in Oslo zijn Nobelprijs in ontvangst mag nemen, is ongetwijfeld een geweldenaar. Maar zoals Elie Wiesel – die in juli 2016 overleed – was er maar één.
Ik wens u, beste luisteraars, een goed weekend. Tot de volgende keer.
