Nog een prettige dag

De column van Bert van Oosterhout

29 februari 2020 Bert van Oosterhout

Op een ochtend valt het me plotseling op. Zoekend naar een huishoudelijk voorwerp, loop ik op winkelcentrum De Crimpenhof enkele winkels in en uit. Tevergeefs. Het gezochte voorwerp is nergens te koop. Na de derde winkel wandel ik onverrichterzake het Van Vlietplein op. En opnieuw hoor ik het personeel zeggen, wat ik al tweemaal heb gehoord: “Nog een prettige dag”.

Drie winkels, één tekst. Klinkt bijna als een mantra. Ja, je weet het niet. Per slot van rekening is sinds kort de hindoeïstische medemens onder ons. Maar goed. Van die groet, dat kan geen toeval zijn. Ik heb het niet onderzocht. Maar ik vermoed dat de winkeldames mij helemaal 'volgens het boekje' behandelden. En dat letterlijk. Niets verkeerds mee, natuurlijk. In tegendeel zelfs. Hoe dan ook plezieriger dan sommige winkel-typen die ik vroeger wel eens meemaakte.

Meisjes en jongens meestal, wier gebabbel over het feestje van gisteravond ik ongewild verstoorde. “En?”, klonk het soms, waarbij zo iemand me vorsend aankeek. “Ik zoek een drieweg-stekker”, was bijvoorbeeld mijn antwoord. Rimpel in het voorhoofd van het winkelmeisje. En een roep om hulp aan een collega. “Anita, hebben wij drieweg-stekkers?”.

“Dat wil u toch?”, informeerde ze voor de zekerheid nog even, “een drieweg-stekker”. “Ja zeker” antwoordde ik ferm. “Hebben we niet” klonk het in koor, waarna het gesprek over dat feest van gisteravond onmiddellijk werd hervat. Ik bedenk het niet. Het is uit het leven gegrepen.

Daarom is het juist een verademing wanneer het winkelpersoneel van vandaag mij 'nog een prettige dag' wenst. Drie keer in een kwartier werkt weliswaar op de lachspieren. Maar dat doet niets af aan de intentie. En het klinkt des te plezieriger als je het vergelijkt met wat je om je heen zoal hoort. Want laten we wel wezen, op straat, in de bus en in de metro heeft zich de laatste jaren een revolutie voltrokken. Qua taalgebruik, bedoel ik.

Het gebeurt wel eens dat met mij een halve klas van deze of gene school de metro binnen komt. Van de ene minuut op de andere heerst er dan een ander taalregime in het openbaar vervoer. Sowieso wordt meteen de doodse stilte van het legertje iphone-zwijgers doorbroken. De scholieren gaan ervoor. Ze zijn geboren met stembanden en dat zullen we weten ook.

Niet dat ze veel te vertellen hebben. Kortgeleden is weer eens vastgesteld dat ze niet of nauwelijks lezen. Hun taal -vaardigheid schiet mede daardoor tekort. Joost mag weten waar ze dit gebrek hebben ontwikkeld. Zoals dikwijls, schuiven ouders en scholen elkaar wat dit betreft de Zwarte Piet toe. Maar jammer blijft het. En de kinderen schieten er in elk geval niets mee op.

Het wonderspeeltje van de 21ste eeuw, het mobieltje, en ander elektronisch speelgoed, is zeker niet bevordelijk voor het taalgevoel van zijn jeugdige gebruikers. Op het kleine scherm heeft zich een soort geheimtaal ontwikkeld. De gemiddelde scholier kan er prima mee overweg. Maar zijn of haar ouders hebben inmiddels geen flauwe notie meer waar het over gaat,

Hele volksstammen jongelui bedienen zich van een nieuwe taal. Die heeft nog maar weinig of niets te maken met het Nederlands dat de gemiddelde luisteraar van de Lokale Omroep Krimpen ooit leerde. En deze ontwikkeling draagt dan weer niet bij aan de behoefte eens lekker een boek te lezen.

Het lijkt er bovendien op dat het gebruik van die nieuwe straattaal in de sociale media in een aantal gevallen samenvalt met een verruwing van de omgangsvormen. En dan druk ik me nog zachtjes uit. Ik hoop dat de schijn bedriegt. Dat we het over uitzonderingen hebben. Dat het tuig dat dag-in-dag-uit, overal in ons land, mensen doodsteekt en verwondt, in de minderheid is. En dat is natuurlijk ook zo.

Maar in de minderheid of niet, we hebben het met z'n allen nu wel gehad met die ontspoorde types, zou ik zeggen. En het is, wat mij betreft, aan de politiek passende maatregelen te nemen. Zij moet niet langer toestaan dat iemand een mes op zak heeft. Hoe klein dan ook. Als je met de KLM op reis gaat, mag je niet eens een nagelschaartje bij je hebben. Maar in Krimpen aan den Ijssel kan het gebeuren, dat je in het holst van de nacht een 14-jarige snotneus tegen het lijf loopt, die een fors uitgevallen mes op zak heeft.

Messen, vuurwapens, het begint in onze omgeving soms op het Wilde Westen te lijken. Maar tot elke prijs moeten we voorkomen dat Nederland een soort Trump-staat wordt. Waar op grond van grondwettelijk geneuzel iedere cowboy een wapen kan aanschaffen. Zoals gezegd, schijn bedriegt. De kans dat het die kant op gaat, lijkt me toch klein. Anders dan die yankees kennen wij immers geen 'historisch recht ' om wapens in huis te hebben.

Dat moeten we vooral zo houden. En nu ook maar eens maatregelen nemen om de messentrekkers – en waar nodig ook hun ouders – harder aan te pakken. Discussiëren over hoe het door verkeerd beleid in het verleden uit de hand liep – zoals ik hier en daar beluister – heeft weinig zin.

Het gaat immers om de werkelijkheid van vandaag. Want hoe plezierig zou het zijn als je overal kunt gaan stappen, gewoon naar school kunt gaan en normaal kunt winkelen, in het besef dat je niks kan gebeuren?

Ik wens jullie, beste luisteraars, een veilig weekend. Tot de volgende keer.