Porto Antico

De column van Bert van Oosterhout

18 april 2020 Bert van Oosterhout

'Kijk nou. Zie je wie daar aan komt?', zegt mijn vrouw. We wandelen in de Via San Lorenzo. Door eeuwenoude straatjes richting Porto Antico, de oude haven. De hoog opgemetselde middeleeuwse huizen laten weinig zon toe op de begane grond. En dat is een weldaad in een stad waar het zelfs in het voorjaar al lelijk heet kan worden.

'Kijk dan', zegt mijn vrouw en knikt met het hoofd naar een rijzige man die onze richting uitloopt. Zijn pas is vastberaden, maar duidelijk zonder haast. Met een zekere handigheid manoeuvreert hij zijn omvangrijke gestalte tussen de voorbijgangers door. De lange haren, als van een Franse vorst uit een ver verleden, vallen meedeinend over zijn schouders.

'Ja, ja, ik zie hem', zeg ik tegen mijn vrouw. Onmiskenbaar Ilja Leonard Pfeijffer. 'Ik ga hem even goeiedag zeggen'. Ik steek de straat over. Houd hem voorzichtig staande en vraag hoe het met hem is. Duidelijk geamuseerd door dit intermezzo, meldt hij dat hij niets te klagen heeft.

Ik probeer zijn geheugen op te frissen door onze eerste ontmoeting in herinnering te roepen. Die was niet hier, in de oude stad van Genua, maar een paar jaar eerder in Den Haag. Uitgeverij De Arbeiderspers presenteerde er Pfeijffers magistrale roman La Superba. En dat werd een vrolijke bijeenkomst volgens een totaal onverwacht scenario.

Bij het vallen van de avond, in de vroege zomer van 2014, wisselen mijn vrouw en onze dochter in Genua, aan de telefoon de laatste nieuwtjes uit. De kortgeleden verschenen roman komt ter sprake. Want in hoofdstuk 23 introduceert de auteur een personage dat als twee druppels water op onze Italiaanse schoonzoon lijkt. Naam, beroep – de hele handel.

Het wordt nog gekker. Dochterlief, nog steeds aan de telefoon, meldt dat as we speak de roman bij boekhandel Paagman in Den Haag wordt gepresenteerd. Ja en dan ben ik soms ineens een soort reïncarnatie van speedy Gonzales. Drie kwartier later stap ik dan ook, de roman onder de arm, de boekhandel binnen. Een gehoor van pakweg veertig boekenwurmen hangt er aan de lippen van onze schrijver, die wordt geïnterviewd over La Superba.

'Hoe komt u', wil ik in het daaropvolgende vragenuurtje weten, 'aan de naam Alfonso G.?' 'Geen idee', is het antwoord. 'Een willekeurige keus. Maar waarom vraagt u dat eigenlijk?' 'Omdat de naam, de functie en de persoon sterk overeenkomen met die van mijn schoonzoon.'

Om redenen die mij tot op de dag van vandaag duister zijn gebleven, barst het publiek spontaan in een applaus uit. Ik zei het al, het werd een plezierige samenkomst.

In mijn exemplaar van het boek waar het allemaal om ging, prijkt sindsdien een vriendelijke opdracht in het Italiaans van Ilja Pfeijffer: Per Alfonso, eroe del capitolo 23, Ilja Pfeijffer. In goed Nederlands : voor Alfonso, de held van hoofdstuk 23.

Ik bedoel maar, die bijeenkomst bracht ik even in herinnering toen ik de inmiddels beroemde auteur staande hield in de Via San Lorenzo. Een compliment nam hij met zuidelijke gratie in ontvangst. Maar onze ontmoeting in Den Haag had duidelijk geen sporen nagelaten in zijn geheugen.

Wanneer wij weer eens in Genua zijn, is de kans groot dat we Ilja Pfeijffer tegen het lijf lopen. De gezellige buurt waar hij woont, ligt op onze natuurlijke route van het centrum naar de oude haven. Het is een labyrint van steegjes in de hellende driehoek tussen Via Garibaldi, Via San Luca en Via Luccoli, in duistere straatjes waar zelfs op het middaguur de zon niet doordringt.

Van hieruit bericht de gevierde schrijver, die 12 jaar geleden in Genua is blijven hangen, tegenwoordig in NRC Handelsblad over de coronacrisis in Italië. Onbewust slaat hij voor ons een brug tussen Krimpen aan den IJssel en Genua. Wat we niet per telefoon van onze kinderen horen, vernemen we soms van hem.

Kleine waarnemingen zijn het. Bevroren details uit het dagelijks leven. Dat wordt ook in Genua kleiner en kleiner naarmate de crisis aanhoudt. Want ondanks de Bijbelse proporties van de ramp liggen begin en einde van het dagelijks bestaan op de stoep. Verder reikt de nieuwe werkelijkheid niet. Af en toe doen zich daarbij taferelen voor als in de Goddelijke Komedie van Dante, waar de vroegere docent klassieke talen Pfeijffer natuurlijk alles van weet.

Niet toevallig verwijst hij er in een van zijn krantenstukjes naar. In de Hel, onderdeel van de komedie, worden de zielen van de wellustigen heen en weer gesmeten door een eeuwige storm. Precies zo worden wij heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees in de vloedgolf van nieuwsberichten over het virus.

Bij Dante hebben de zielen geen toekomst. Laten we hopen dat de vergelijking daar ophoudt. Dat vaccin vinden we natuurlijk. En of we dan van deze crisis nog iets hebben geleerd, zien we wel wanneer het zover is.

Beste luisteraars, ik wens jullie een plezierig weekend. Houd afstand. Blijf gezond.