Kop in het zand
De column van Bert van Oosterhout
25 april 2020 Bert van Oosterhout
Sorry hoor, maar ik kies ervoor een dag of wat mijn kop in het zand te steken. Even geen corona. Even een lichtpuntje zoeken. Even doen alsof het voorbij is. Terwijl ik natuurlijk weet dat het niet zo is. Want we zijn er nog lang niet.
Maar toch, wanneer er, vanachter een pluk wolken een bosje zonnestralen mijn hoofd streelt, schiet ik meteen in de voorjaars modus. In een soort Pavlov-reactie krijg ik beelden van luie landschappen en steden in het buitenland. Je moet weten, ik vind dit jaargetijde bij uitstek geschikt om eens een stad te bezoeken. Ik scharrel weliswaar in het Loetbos en bij de surfplas graag door het ritselend blad. Maar diep in mijn hart is de sfeer in nabije wereldsteden mij wel zo lief.
Het plezierige van deze dagdromerij is dat de Kurfürstendamm in Berlijn en de Ramblas in Barcelona zowat in elkaars verlengde komen te liggen. Doorsneden als het ware door de Champs-Élysées. Want ik krijg toch vooral visioenen van Parijs. Dat is nu eenmaal de stad waar ik het meeste mee heb.
In heel wat boeiende steden heb ik rondgewandeld. Maar voor mij kan er niet één wedijveren met la ville lumière. Noem het een virus of een besmettelijke ziekte. Het maakt mij niet uit. Parijs is en blijft mijn grote liefde. De straten, stegen en boulevards liggen er ook daar nu nogal verlaten bij. Maar ik koester vandaag de stad zoals die op mijn netvlies is gebrand.
Na talrijke bezoeken in een reeks van jaren, duurt onze vrijage onverminderd voort. Sinds onze allereerste date, pakweg 60 jaar geleden, werkt de chemie tussen ons nog als nooit tevoren. Ontroerend primitieve kiekjes, zwart-wit met kartelrand, zes bij negen centimeter, zijn de stille getuigen van die eerste ontmoeting.
Het was liefde op het eerste gezicht. Voor ruim 100 gulden per persoon, brachten de Nederlandse Spoorwegen ons naar Parijs. Inclusief een bizarre pauze. Want een uurtje voor aankomst zette de machinist zijn walmende stoom- locomotief in de open vlakte van noord-Frankrijk stil. Niet gehinderd door enige gêne, maar geplaagd door een hevige aandrang, schudde hij naast de rails zijn blaas leeg. Daar staat tegenwoordig een fikse boete op. Maar in die tijd deed niemand daar moeilijk over.
De stad ontving ons daarna met open armen. En ja, de Avenue des Champs-Élysées was zo druk en zo breed als we ons hadden voorgesteld. De Eiffeltoren wees ook toen al als een ongenaakbaar stalen vinger naar de hemel. En Montmartre was wat het nog is, een levendige wijk met toeristen-kunst.
Dat het echte Parijs elders leeft wisten we nog niet. In een week kun je de stad wel bekijken, maar niet leren kennen. En nog, na een keer of zeventien, heeft ze niet al haar geheimen prijs gegeven. En dat is goed zo. Ze blijft een behaagzieke vrouw die ontdekt wil worden. En daarbij steekt ze haar charmes niet onder stoelen of banken.
Generaties artiesten, schrijvers, journalisten en muzikanten hebben zich aan haar gelaafd. Hun werk is in een aantal gevallen het gewone aardse bestaan ontstegen. Het heeft zijn makers ruimschoots overleefd. En miljoenen in de hele wereld hebben het inmiddels bekeken, gelezen en beluisterd.
A moveable feast noemde de Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway zijn verblijf in Parijs. Zeg maar dag-en-nacht feest. Vijftien jaar geleden deed onze eigen Adriaan van Dis het dunnetjes over in Onder het zink. Bescheiden van formaat. Maar als letterkundige liefdesverklaring een pareltje.
Ik citeer:...'Parijs is een meervoud. Ik weet nog steeds niet van welk Parijs ik houd. Van de pronkstad die zich monumentaal op de borst slaat of van de dorpen in de stad, les villages de Paris. Van de zinken daken of van de zwarte leien, vergulde randen en goudgepunte hekken.
Van de goten die ruisen als beekjes of van de Seine. Het verleden leert me elke dag een les. En het heden: de problemen van de wereldstad houden me alert. In Amsterdam verdorp ik. In Parijs word ik wakker.'
Van Dis werd als het ware de erfgenaam van een oneindige rij auteurs, die voor kortere of langere tijd in Parijs woonden en werkten. Bereid op een houtje te bijten. Om kopje onder te gaan in de magie van de stad. Wat dat ook is. Want de sfeer van Parijs kun je moeiteloos ondergaan. Maar niet gemakkelijk beschrijven.
In de Franse hoofdstad voel ik me niet langer toerist. Vreemd eigenlijk. Want ik ben er niet geboren en ik was er nooit langer dan twee weken achtereen.Waar komt dat vertrouwde gevoel dan vandaan? Ik heb me dat dikwijls afgevraagd. Niet voor niets, want ik ben er inmiddels achter.
Lang vóór mijn eerste bezoek aan de stad, had ik mijn eigen Parijs opgetrokken. Met als bouwstenen verhalen, films en chansons. Daarna was de werkelijkheid er alleen nog om de verbeelding vorm te geven.
Ik herkende die ervaring ook in de film Midnight in Paris van de Amerikaanse cineast Woody Allen. Alweer zo'n regelrechte liefdesverklaring aan de Franse hoofdstad. Een film-sprookje op de rand van het sentiment. Maar o zo herkenbaar voor wie de stad in zijn dna heeft zitten.
En dat geldt ook voor de maker van die andere film, Casablanca van Michael Curtiz – door velen beschouwd als de beste Hollywoodfilm aller tijden. Op het vliegveld van Casablanca scheiden de wegen van hoofdrolspeler Humphrey Bogart en zijn geliefde, Ingrid Bergman. Alles is verloren, maar er is één troost: de herinnering aan hun liefde in de Franse hoofdstad.
“We'll always have Paris” merkt Bogart op. Heel vrij vertaald: ”Wat we in Parijs hadden, zullen we nooit vergeten.” In de samenhang van dit romantische drama had hij het niet beter kunnen zeggen.
Beste luisteraars, dat was het. Volgens mij moeten mijn lief en ik maar weer eens gauw de TGV boeken. En dat kan dus niet. Daarom laten we af en toe dan maar een dagdroom toe. Zoals deze morgen. Die is in elk geval niet besmettelijk en ook niet slecht voor de gezondheid.
Ik wens jullie een goed weekend. Tot de volgende keer. Blijf gezond.
