Anne en Mo
De column van Bert van Oosterhout
11 juli 2020 Bert van Oosterhout
Een basisschool voor je deur - dat veroorzaakt altijd plezierige reuring. Het geeft ook een aardige kijk op een deel van het Krimpense volkje, kleuters en scholieren. Hoe dit smaldeel van de 30.000 mensen in ons dorp is samengesteld, weet ik niet. Maar dat maakt niet uit. Want met z'n allen zijn we gewoon dorpsgenoten. Kijkend vanuit onze huiskamer naar die dagelijkse stroom kleingoed, van en naar school, viel ons deze week ineens iets op.
Zodra ze op eigen benen staan, sluiten die mini krimpeneesjes zich bijna als vanzelfsprekend aan bij degenen op wie ze ogenschijnlijk het meest lijken. Ze lijken vooral aangetrokken te worden door kameraadjes met dezelfde huidskleur. Welke die ook is. Ja, ja, rustig maar: ik merk alleen op wat mij vier keer per dag treft.
En dat is bepaald een vertederend gezicht: kinderen van families uit verre landen, die elkaar heen- en weer naar school graag opzoeken. En dat geldt trouwens ook voor hun moeders, vaders en opa's. Zoals ik uit eigen waarneming weet.
En dan, op een willekeurige morgen in de week, steken ze in figuurlijke zin de brug over. Waarom, waardoor? Joost mag het weten. De chemie werkt gewoon. Anne loopt plotseling met Mo. En Achmed en Jeffrey lijken ineens gezworen kameraden.
Iedere huis- tuin en -keukenpsycholoog kan dit uitleggen. Maar op dit uur van deze zaterdagmorgen heb ik even geen trek in een college psychologie. Wel drapeer ik met genoegen de onbevangenheid van 'onze' scholieren als een deken over de wereld van de volwassenen. Daar is van enige onbevangenheid
namelijk helemaal geen sprake. In tegendeel, tot in de Tweede Kamer valt af en toe onversneden racisme te beluisteren.
Alle aandacht van de laatste jaren ten spijt, is de situatie niet wezenlijk verbeterd. In elke laag van de samenleving bloeit het racisme als een giftige plant. Politici en hun gelijken maken daarbij van hun hart geen moordkuil. Dat kan en mag. Het is bovendien duidelijk waar ze voor staan. Niet minder dan irritant vind ik daarentegen het vanzelfsprekende racisme van de man in de straat. De burger, die zijn zaakjes goed voor elkaar heeft. En die zich juist daarom in zijn of haar bestaan bedreigd voelt.
Natuurlijk is er altijd wel een voorbeeld bij de hand van een of ander type uit Afghanistan dat zich heeft misdragen. "Zie je nou wel dat die lui niet deugen', heet het dan. Zo wordt het wangedrag van een enkeling gemakkelijk een karakteristiek van de groep. Maar als we dat uitgangspunt eens zouden toepassen op 'ons' – en ik zet dit tussen aanhalingstekens - komen wij er in veel gevallen ook niet best af. De Amsterdamse maffia als rolmodel, zal ik maar zeggen. Ben je vet mee.
En dan hebben we ook nog de wijdverbreide misverstanden over het doen en laten van 'die anderen.' Zoals dit: het is natuurlijk gewoon zo dat tienduizenden migranten even zovele banen hebben ingepikt. Die waren toch echt bedoeld voor hardwerkende brave Nederlanders. Maar die zitten nu thuis duimen te draaien. Vertel mij wat, allemaal de schuld van buitenlanders, die twintig jaar geleden in Enschede - of waar dan ook in ons land - werden geboren.
En dan het andere sprookje. Hoe zit het eigenlijk met de huisvesting? Kijk eens naar bijvoorbeeld Rotterdam-zuid. Er is daar in de straten nauwelijks een naamplaatje te vinden met Jansen, De Vries of van Amstel. Zelfs de burgemeester heeft een naam die we amper kunnen uitspreken. En wie zit er met een troep kinderen in de beste woningen? Juist ja, helemaal goed.
Beste luisteraars, is er een reden om jullie – in deze toch al barre tijden – met deze treurnis lastig te vallen? Om de donder wel. Die is er namelijk altijd. In elk geval zolang de gebundelde buitenlander-haat onderdak vindt bij verscheidene politieke partijen ter rechterzijde van het spectrum. Zolang de beste moppen aan de tap over Marokkanen gaan. Best begrijpelijk, want sommige Marokkanen lijken verdacht veel op niet-marokkaanse Nederlanders. Ook niet allemaal van die lekkertjes.
Eigenlijk heel vervelend allemaal. Vooral omdat we al opgescheept zitten met Surinamers, Arubanen, Curacao-enaren, Roemenen , Zeeuwen en Brabanders die van geen kant deugen. Om er een paar te noemen.
Je vraagt je af: in wat voor een land leven wij eigenlijk? Kijk, aan zo'n vraag hebben we iets. Het antwoord ligt namelijk voor de hand. We leven weliswaar niet in het aards paradijs. Maar reden tot klagen hebben we toch ook niet echt. In elk geval niet in vergelijking met vele buitenlanden. De corona-crisis en wat daar bij komt kijken, wekt jammer genoeg de indruk dat we in een soort openlucht-gevangenis wonen. Mark Rutte en zijn politieke kompanen - om over Jaap van Dissel van het RIVM maar te zwijgen - zijn zeker strenge heelmeesters. Hoe verstandig dat was en is, merken we nog wel. Maar dit terzijde.
Zoals ik hiervoor al zei, het heeft iets plezierigs om een basisschool tegenover je huis te hebben. Want een school is het Madurodam van de samenleving. Een afspiegeling van de maatschappij die we samen hebben opgemetseld. Met veelkleurige stenen, die onze woonplek behoeden voor saaiheid. En die anderhalve meter – waar zo langzamerhand geen hond zich aan houdt – daar zullen we voorlopig mee moeten leven.
By the way: ik zag gisteren, op het einde van de schooldag, Anne en Mo over het bruggetje komen. Ze liepen hand in hand.
Een goed weekend. Houd afstand en blijf gezond. Tot de volgende keer.
