Toen was geluk heel gewoon
De column van Bert van Oosterhout
15 augustus 2020 Bert van Oosterhout
Vakantie was niet vanzelfsprekend, toen ik jong was. Als jongetje van een jaar of twaalf, dertien, kende ik in mijn omgeving eigenlijk niemand die met vakantie ging. Logisch, want de 'nette arbeiders' in mijn buurt konden zich dat niet veroorloven. Vakantie was voorbehouden aan een kleine bovenlaag. En niemand morde daarover.
Een uitzondering vormden trouwens de leden van de talrijke jeugdverenigingen. In de jaren vijftig van de vorige eeuw brachten bijvoorbeeld jongens en meisjes van socialistischen huize spannende dagen door in tentenkampen. Dikwijls in het oosten van het land. Roomskatholieke padvinders, die verkenners werden genoemd, deden niet anders. Op die manier was dus wel een aantal jongelui een week weg van moeders pappot.
De pseudo-militaristische padvinderij, die in 1908 als scouting was opgericht door de Brit Baden Powell, oefende wereldwijd een grote aantrekkingskracht uit op de jeugd. Ook ik was ingelijfd. En een hoogtepunt als de jaarlijkse week kamperen op een boerenerf in Heeze-Leende, herinner ik me als de dag van gisteren.
We sliepen met z'n zessen in een tent. Dat was dus elke avond keten. De volgende dag begon onverbiddelijk met een duik in het koude water van de Zuid-Willemsvaart. Uren later brouwden we onder het toeziend oog van hopman en vaandrig samen een warme prak. De oer-Hollandse hete bliksem was favoriet. Onvermijdelijk, want bere-avontuurlijk, volgde er een nachtelijke dropping in een stikdonker bos. En menige avond luisterden we, zittend rond een kampvuur, naar een spannend verhaal van de plaatselijke boswachter. Het was een jeugd in een wereld die niet meer bestaat.
Met z'n zessen in een tent slapen is in het corona-tijdperk natuurlijk uit den boze. Nog daargelaten dat we aan de rand van de kampeerplaats boven een zelf gegraven greppel letterlijk over de balk moesten poepen. Ik denk niet dat de scouting anno 2020 dat nog doet.
Die hele kampeer-ervaring voltrok zich in een Nederland dat de onschuld nog net niet was ontgroeid. De samenleving was nog stevig verzuild. Bijna iedereen leefde veilig in zijn eigen bubbel. Kerk en kapitaal maakten de dienst uit. En alleen de kerk heeft in een aantal plaatsen aan populariteit ingeboet.
Vakantie houdt gelijke tred met de stand van zaken in het land. Zo was het vroeger. Zo is het nu. Draait de economie lekker, gaan we ons al gauw te buiten aan allerlei vakantie-gekkigheid. Per privé-jet naar een tropisch privé-eiland. Wat is daar mis mee? Je moet je vermogen toch ergens aan besteden. Slecht voor het milieu? Houd toch op met dat linkse gezeur. Allemaal jaloers geneuzel. Geld moet rollen. Vooral het mijne.
Tja, soberheid is aan de rijken nu eenmaal niet besteed. In mijn jeugd daarentegen was soberheid troef. Op de fiets naar Zeeland, gehuurd tentje achterop, was al iets bijzonders. Potje koken op een spiritusbrander was eigenlijk ook best spannend. Vooral als de kokende of bradende hap dreigde te mislukken. En pitten op een luchtbed dat niet helemaal luchtdicht bleek te zijn, was ook lachen.
De Route du soleil, vijf autobanen breed en 1200 kilometer recht-toe-recht-aan naar de Rivièra, bestond nog niet. Van vliegende prijsvechters als Ryan air, Easy jet en meer van die cowboys hadden we nog nooit gehoord. Een vliegvakantie was een ongehoorde luxe. Maar soberheid of niet, we hadden toch al heel wat meer dan onze ouders.
Zij waren tevreden wanneer ze na een kleine 20 kilometer fietsen in Zegge en Oudenbosch konden overnachten. Bij neringdoende familieleden die het geboortedorp nooit hadden verlaten. Wat mijn broers, zussen en mij de gelegenheid gaf boven de bakkerij van oom Willem op zolder te slapen. Of bij oma en opa in dat boerenhuis in de bedstee. Dan wel achter de groentewinkel bij tante Sjaan.
Toen was geluk heel gewoon, zingt Gerard Cox af en toe nog. En ik ben geneigd te denken dat het echt zo was. Later toen we al lang niet meer met het gezin bij familie logeerden, deelden we met vrienden een caravan in Vlissingen. Om nog weer later met dezelfde vrienden per stoomtrein en een arrangement van de NS, naar Beieren af te reizen.
Niet lang daarna was het hek van de dam. De welvaart nam toe. En als een olievlek breidde het massatoerisme zich uit. Nooit eerder in de geschiedenis lieten jaarlijks zoveel miljoenen mensen zoveel miljoenen voetstappen achter in alle windstreken op de wereldbol die we bewonen.
Tot begin van dit jaar het covid-19 virus zich aandiende. Uit met de pret. Als een rood-witte slagboom die menige grens markeert, weigert corona ons de toegang tot ons vakantieland. Toen de eerste schrik voorbij was, kreeg de teleurstelling vrij baan. Een jaar geleden nog vloog half Nederland met een prettig geprijsd ticket naar een exotische vakantiebestemming. Zwom in Eilat met dolfijnen, of zag op een berg op Java de zon opkomen boven de Borobodur. Kom daar nu eens om.
De consumptiemens leefde zich weer eens uit. Vakantie was ooit bedoeld om een weekje te bekomen van een jaar ploeteren. Maar die tijd ligt al lang achter ons. Tot rust komen is niet langer het doel. Lekker bezig zijn, tot in het extreme, daar gaat het om. Maar dat verdraaide virus heeft roet in het eten gestrooid. Staycation – thuis blijven en klussen, is noodgedwongen het nieuwe normaal. De wereld- reizigers van vorig jaar zoeken het nu in Renesse en Drente. Misschien staan we wel aan de vooravond van een heuse trendbreuk. Reuze benieuwd hoe dat er straks uitziet.
Ik wens jullie een prettig weekend. Waar je ook bent: houd afstand en blijf gezond. Tot de volgende keer.
