Exit John le Carré

De column van Bert van Oosterhout

19 december 2020 Bert van Oosterhout

Een van de vervelende kanten van oud worden is dat veel van mijn literaire helden me voorgaan naar het Hiernamaals. Ik voel me een beetje verweesd, elke keer dat een geliefde schrijver er voorgoed het zwijgen toe doet. Deze week overkwam het me weer. Terwijl de lockdown alle aandacht opeiste, liet het tv-journaal bijna terloops weten dat John le Carré naar de spionnenhemel was afgereisd.

Die mededeling trof me meer dan de corona-speech van Heer Rutte. Per slot van rekening bevestigde hij alleen wat iedereen, die een beetje had opgelet, al verwachtte. Buitengewoon ingrijpend, al die strenge maatregelen. Maar niks nieuws onder de zon. Als je zonodig met duizenden tegelijk door de Rotterdamse Koopgoot moet wandelen, vraag je erom. Ga vooral je gang.

Midden in de tweede golf – of is het al de derde? – kon ik me dan ook moeiteloos concentreren op wat ik zojuist had gehoord: het overlijden van David Cornwell, beter bekend als John le Carré. Geen van de schrijvers van wie ik ooit dag en nacht een boek onder handbereik had – Graham Greene, Frederic Forsyth, Ken Follett – paste zo naadloos bij me als Le Carrré.

De Koude Oorlog waarin de meeste van zijn romans zich afspelen, was als het ware voelbaar in de Witte de Withstraat in Rotterdam – daar waar 'mijn' krant was gevestigd. En doordat Le Carré een blauwe maandag voor MI5, de Britse geheime dienst, in Duitsland had gewerkt, werden zijn boeken onbedoeld nog leerzaam entertainment ook. Genieten en je neemt er bovendien wat van mee. Zoiets.

Anders dan wel eens is gesuggereerd, was Le Carré nooit een topspion. Maar zijn jaren bij MI5 waren natuurlijk wel een voedingsbodem voor een reeks spionageromans van de bovenste plank. Het boek dat in 1963 zijn onweerstaanbare doorbraak werd – The spy who came in from the cold – geldt bij de liefhebbers van het genre vandaag de dag nog als een klassieker. In de boeiende memoires die hij in 2016 uitbracht verwijst hij ernaar. 'Ik zit aan mijn bureau in de kelder van het kleine Zwitserse chalet dat ik bouwde van de opbrengst van The spy who came in from the cold.' Met het succes rinkelde de kassa.

Lang voor hij zijn herinneringen opschreef, was ik verslaafd geraakt aan de personages die Le Carré in het leven riep. In vrijwel alle gevallen gebeeldhouwd naar de werkelijkheid. Die kende hij uit eigen waarneming. Dat hij hen en de omstandigheden zo waarheidsgetrouw beschreef, werd hem trouwens door MI5 niet in dank afgenomen. Zijn onthullende fictie werd beschouwd als een vorm van verraad aan de vroegere werkgever. Die trouwens alle reden had om de hand in eigen boezem te steken. Jarenlang immers wisten enkele verraders in kringen van de geheime dienst – spionnen voor Moskou – buiten schot te blijven.

Gefundenes Fressen natuurlijk, voor Le Carré wiens dikwijls kwetsbare romanfiguren lang bleven acteren in de schemerige wereld van spionage tussen Oost en West. Een enkele keer maakte de auteur een uitstapje naar een andere spannende wereld. Zoals met The little drummer girl, waarin de Mossad, de Israëlische geheime dienst, op een Palestijnse terrorist jaagt. Toen dit boek in 1984 werd verfilmd met Diane Keaton in de hoofdrol, had Le Carré de smoor in over de keuze van deze actrice. Maar daar trok filmmaker George Roy Hill zich niets van aan.

Hoe leuk is het te schrijven over onderwerpen die zo uit de boeken van Le Carré lijken te stammen? Heel leuk. Waar landen elkaar voortdurend beloeren, liggen werkelijkheid en verbeelding meestal dicht bij elkaar. We weten zo goed als niks van de Russen die kortgeleden wegens spionage in ons land naar huis werden gestuurd. Maar met een flinke dosis research zou dit best stof voor een spannende roman kunnen opleveren.

Er is wel eens opgemerkt dat je de verhalen van Le Carré niet uitsluitend als fictie kunt zien. Hij loog de waarheid, schreef de NRC kortgeleden. Eraan toevoegend: hij had kennis van binnenuit en zijn uitgangspunten waren goeddeels gebaseerd op feiten. Zo zat het ongetwijfeld in elkaar.

Hoe langer ik er over denk, hoe groter deze meester van de spionageroman wordt. Voor sommigen vormen zijn boeken 'zelfs de sleutel tot het begrijpen van het midden van de 20ste eeuw'. Ja, zo lust ik er nog wel een. Maar het valt niet te ontkennen dat Le Carré met 25 romans en ruim 60 miljoen verkochte exemplaren, zijn steentje heeft bijgedragen aan het denken over de Koude Oorlog. En de periode die erop volgde. Het was misschien een onbedoeld effect van al die spannende verhalen. Wat blijft is het oude cliché: waarheid is vreemder dan verbeelding. Le Carré schiep een fictieve wereld zonder de waarheid geweld aan te doen.

'Geen hedendaagse schrijver heeft me meer plezier bezorgd dan John le Carré', zei de Britse auteur Stephen Fry desgevraagd. 'Het beste wat je kunt doen om zijn grote leven en talent te eren, is al zijn boeken herlezen.' Nou, dat wordt nog een klus. Maar toch, voor wie gevrijwaard blijft van het duivelse virus, lijkt dit me het proberen waard.

Ik wens iedereen een goed weekend.