….maar het was wel geluk

De column van Bert van Oosterhout

20 maart 2021 Bert van Oosterhout

Wij waren met z'n vijven: Arie, Bert, Frans, Jacques en Pim. Jongens van veertien en vijftien jaar. Een groepje, spontaan ontstaan in het eerste jaar op de middelbare school. En al zaten we niet in dezelfde klas, de dagelijkse wandeling naar school was al gauw een vast ritueel. De school van toen bestaat niet meer. Het gebouw is jaren geleden gesloopt om plaats te maken voor nieuwe woningen. En met het gebouw verdween een deel van onze jeugd.

Het is niet bij benadering te zeggen hoeveel voetstappen wij hebben liggen in de Iepstraat, de Beukstraat, de Dijkstraat, Haagdijk en Middellaan. Vertrouwde namen voor wie thuis is in de zuidelijke wijken van Breda. Want daar bevinden we ons. Buurten met herkenningspunten als het kantoor van de BBA, de Brabantse Buurtspoorwegen en Autodiensten, de St. Anna-kerk en café Moeke Mols.

Met onderweg naar school de frietzaak van Schraven, misschien wel de eerste in de na-oorlogse stad. Met prima snacks en een dochter die niet te versmaden was. 's Winters met bevroren straten en pleinen. 's Zomers met eindeloze vakanties in openlucht zwembad Het Ei. Naast het voetbalstadion van NAC. Alles bij elkaar het decor van een gelukkige jeugd.

Frans, Jacques en ik zijn de laatsten der Mohikanen. Ruim zeventig jaar na dato treffen we elkaar nog wel eens. Ons gedeelde verleden is gegarandeerd een plezierig onderwerp van gesprek. Those were the days, zong Mary Hopkin in 1968 en zo was het.

Je gelooft het niet, maar deze column stond nog niet half in de steigers toen mijn vrouw en ik aangenaam werden getroffen door het tv-programma Het Dorp. Helemaal een programma waar wij met veel plezier voor gingen zitten. Paste van voor naar achter bij mijn stemming, die toch al op standje nostalgie stond. Zie boven.

In het programma tuften schrijver Wim Daniëls en acteur Huub Stapel in een antieke motor met zijspan door Hollands dreven, op zoek naar wat er is overgebleven van het dorpsleven van vroeger. Daniëls heeft zich een reputatie verworven met een reeks boeken over de wereld van onze jeugd. Het Dorp is er één van. Op het toverscherm leidde dat tot scènes uit de jaren dat Nederland nog onschuldig was. Een verademing tussen al die van opwinding stomende uitzendingen over corona.

Zoals jullie dus al weten, kom ik niet uit een dorp. Mijn wieg stond in een middelgrote provinciestad. In een niet ongezellige volksbuurt. Twee straten verder eindigde de bebouwing en begon het platteland. Twintig minuten lopen en we waren in het Liesbosch. Een gezochte plek voor spannende avonturen zoals jongens van tien, twaalf jaar die beleven. Onderweg viel altijd wel een knol te jatten op een van de akkers rondom de boerderijen. Voor het geval we honger zouden krijgen.

Nou had de wijk waar wij opgroeiden, hoewel geen dorp, toch wel iets van een dorps sfeertje. Iedereen kende iedereen. De bakker kwam met zijn bakfiets langs de deur. De groentevrouw prees beurtelings met paard en wagen en met een handkar haar vitaminerijke producten aan. Eens per week sleet een venter vanaf zijn aangepaste fiets, aliekruiken. En in de zomer kwam tegen de avond steevast Vliegere, de ijscoman, door de straat.

De kans bestond dat het geluid van de bel waarmee hij zijn klanten lokte, werd overstemd door de marsmuziek van de fanfare. Uitgerukt omdat een van haar leden 25 jaar getrouwd was. Of omdat een fanfare nou eenmaal af en toe uitrukt. Het optreden van de in fraaie uniformen gestoken muzikanten was altijd een feest. Vooral de jeugd uit de buurt mocht graag in hun kielzog meelopen.

In de exercitie van Wim Daniels en Huub Stapel, die al een poosje geleden is afgelopen, herkende ik meer dan een speurtocht naar verdwenen dorpsleven. Vóór alles betrof het een bijna tastbaar verlangen naar een overzichtelijk leventje van vroeger, waarin alles klopte. Schraalhans was keukenmeester, dat wel en af en toe barstte er een griepepidemie uit. Dat hoorde erbij.

In het dagelijks leven wisten de pastoor en dominee alles beter. Zij beschikten immers over een rechtstreekse verbinding met de Schepper. Zeg maar, internet avant la lettre. Wie goed naar hen luisterde, kon zich geen buil vallen. In de volksbuurten en op het platteland van Brabant was De Verlichting nog niet doorgedrongen. En de meeste kerken deden hun best het zo te houden. Zoals bekend is dat niet gelukt.

Het was het wereldje waar het tv-programma Het Dorp bijna met wellust in wroette. Het wereldje ook waarin een legertje mannen op de fiets, een golf in blauwe overall 's morgens naar de fabriek peddelde. Een broodtrommeltje op de bagagedrager voor de nieuwe werkdag bij de chocoladefabriek De Kwatta, snoepfabriek De Faam, de suikerfabriek, de HKI (Hollandse Kunstzijde Industrie) en De Etna, waar gasfornuizen werden gefabriceerd – om maar even de belangrijkste werkgevers te noemen.

Gezapig en kneuterig was het bestaan van de meesten van ons. Van de global village hadden we nooit gehoord. Die was nog niet uitgevonden. Het geluk was klein, maar het was wel geluk. Je hoort mij niet zeggen, dat deze mijmering 'de goede kant' van de coronacrisis is. Maar tegen beter weten in, bekruipt mij soms heel even het gevoel dat het wel zo is.

Een plezierig weekend.
Blijf gezond.

20 maart 2021
Bert van Oosterhout