'n Zwijntje genaamd Kotelet

De column van Bert van Oosterhout

12 juni 2021 Bert van Oosterhout

Het hangbuikzwijntje, dat luistert naar de naam Kotelet, scharrelt tevreden knorrend rond. Hij heeft het prima naar zijn zin op het erf van Serge en Erica. En hij laat er geen twijfel over bestaan dat hij hen als zijn enige echte adoptief-ouders heeft geadopteerd.

Kotelet heeft alles wat zijn hartje begeert. Wellustig wentelt hij zich een paar keer per dag in het modderige poeltje voor zijn nachtverblijf. Ik vind het vermakelijk hem bezig te zien. Vooral met die lach op zijn snuit. Voor dit zwijntje is de wereld een feestje – dat kan niet missen.

Nieuwsgierig besnuffelt hij af en toe een van de kippen die hippend pendelen tussen hun hok en het erf. Ook vind hij het gezellig een beetje met de hond des huizes te dollen. Bij voorbaat een verloren gevecht. Want de uit de kluiten gewassen Berner Senne Brutus is hem altijd te snel af. Een eindje verderop melden vier paarden zich bij de afrastering wanneer Erica hun kant op wandelt. Ze eten uit haar hand.

Het lijkt alsof we in een tafereel van de Hollandse landschapsschilder Jacob van Ruisdael terecht zijn gekomen. Een lage horizon, grazige weiden en een kleine hofstede waar mensen en dieren tevreden samenleven. Zo moet het bedoeld zijn, sinds Noach in opdracht van Hogerhand in zijn ark de bijbelse fauna redde van de zondvloed.

Anders dan bij Serge en Erica moet het een hele drukte zijn geweest op de Ark van Noach, bedacht ik deze week, zittend aan de rivier in de Stormpolder, met uitzicht op de reusachtige replica van wat je met een beetje goede wil het eerste cruiseschip aller tijden zou kunnen noemen. Een hoop drukte en natuurlijk een herrie van jewelste. Denk je even in: hoeveel decibel zullen de verzamelde olifanten, leeuwen, koeien, varkens en de rest van de levende have hebben geproduceerd? Daar zou je tegenwoordig niet mee weg komen.

Om over de stank maar te zwijgen. Een moderne varkens- of koeienstal veroorzaakt misschien meer stank, maar die heeft wel een afzuiginstallatie. Noach en de zijnen plempten de mest natuurlijk gewoon overboord. Wat wil je: mensen en dieren samengedrongen op een schip. Schuilend voor de zondvloed die we nu misschien tsunami zouden noemen.

Die Noach mocht overigens van geluk spreken dat de Partij voor de Dieren (PvdD) in zijn tijd nog niet bestond. De charmante maar o zo strenge Leonie Vestering, die net een blauwe maandag voor de PvdD in de Tweede Kamer zit, zou het hem knap lastig hebben gemaakt. Voor nu werkte zij er aan mee dat de nieuwe dierenwet geruisloos door de Eerste Kamer werd aangenomen. En dit kan grote gevolgen hebben voor de dierhouderij.

Van af 1 januari 2023 mogen dieren geen pijn of ongemak ondervinden doordat ze in een stal of hok leven. In dagelijks Nederlands betekent dit dat ze zo veel mogelijk hun natuurlijk gedrag moeten kunnen vertonen. Dat klinkt heel nobel en daarom stemden 89 van de 150 Tweede Kamerleden voor.

Kotelet kan gerust zijn. In zijn idyllisch bestaan verandert niets. Maar de wet gaat niet alleen over vee, zoals kippen, varkens en koeien, maar ook over huisdieren. Denk aan de Vlaamse Reus die in zijn eentje zijn dagen slijt in een hok in de achtertuin. Of aan de parkieten in de te kleine volière. Nog afgezien van dierlijke artiesten als dansende bruine beren, walsende olifanten en circushonden die beter dan Memphis de Paay een bal hoog houden.

Wie dieren een goed hart toedraagt, gunt hen natuurlijk het beste. En wie goed is uitgeslapen, beseft dat de dierenwet vooral een statement is – een onpraktisch papieren voornemen. Keer op keer hebben ministers de voorbije twintig jaar verkondigd dat het natuurlijk gedrag van dieren het richtsnoer moet zijn in de veehouderij. Iedereen die naar Boer zoekt vrouw heeft gekeken weet dat daar in elk geval niet veel van terecht is gekomen.

Eerlijk gezegd heb ik nooit veel begrepen van de relatie tussen mensen en dieren. In de seniorenappartementen dichtbij, struikel je over de mini-hondjes. Niet te geloven hoeveel van die brave mormeltjes viermaal daags door 'de baas' en 'bazin' worden uitgelaten. En wanneer de beestjes in de grasstrook langs de singel voldoende hebben gepoept en gepiest, wacht de beloning: een stevige knuffel op de bank voor de tv. Die hartelijkheid begrijp ik.

Minder begrip heb ik voor de dierenliefhebbers die het veld intrekken om hazen, konijnen, reeën, herten, fazanten en wat al niet van het leven te beroven. 'Om de wild populatie op peil te houden', hoor je wel. 'En natuurlijk om allerhande lekkernijen op tafel te brengen.' Het laatste spreekt me dan weer wel aan. Dus noteer mij maar als een schijnheilige dierenliefhebber. Mea culpa.

Rest de vraag: wat gaat er nou eigenlijk met al die parkieten en kanaries gebeuren? Als die niet meer in een huiskamerkooi mogen trippelen, wat betekent dat voor duizenden eenzame ouderen? Ooit over nagedacht, dames van de Partij voor de Dieren? Natuurlijk wel. Toch hebben jullie aardig wat verwarring gesticht. Daarom zal de Tweede Kamer na de zomer toch nog eens moeten praten over de vraag wat nu eigenlijk de aard van het beestje is.

Een plezierig weekend.
Blijf gezond.

12 juni 2021
Bert van Oosterhout