Met Van Agt in Insulinde

De column van Bert van Oosterhout

9 oktober 2021 Bert van Oosterhout

Met Dries van Agt heb ik kennisgemaakt tijdens zijn bezoek als premier aan Indonesië. Het was april 1980. Met de toenmalige minister van buitenlandse zaken, Chris van der Klauw, en hun dames bezocht hij de vroegere Nederlandse kolonie. Door een enkele poëtische geest nog wel eens aangeduid als Insulinde. In hun kielzog een gezelschap journalisten; met wie Van Agt uitstekend door één deur kon. Hij was eigenlijk nooit te beroerd voor een onderonsje of een bon mot. Dit natuurlijk zeer tot genoegen van het meegereisde journaille.

Het was de reis die me de rest van mijn leven zou heugen onder het hoofdstuk doodsangst. Op de terugvlucht van Sulawesi naar Djakarta kwam het regeringsvliegtuig namelijk terecht in een tropisch onweer, zoals ik ervoor en erna nooit meer heb meegemaakt. Een klein halfuur was het absoluut doodstil in het vliegtuig, dat als een aangeschoten vogel door de lucht zwalkte. Alleen het klotsen van het collectieve angstzweet was nog te horen. En hier en daar iets van een schietgebedje.

Hoe de premier deze beproeving ondervond, is me niet bijgebleven. Hij had trouwens voor hetere vuren gestaan. Drie jaar vóór die reis naar Indonesië, had hij als minister van justitie in het kabinet-Den Uyl een bloedig einde gemaakt aan de Molukse treinkaping bij De Punt. Zes kapers en twee gegijzelden kwamen om. Geen wonder dat de Molukse gemeenschap in ons land zijn bloed wel kon drinken.

Die Molukkers, ongeveer 12000 in getal, waren in 1951 overgevaren naar het voor hen onbekende Nederland. De foto's van hun aankomst in de koude Hollandse winter zijn iconisch geworden. Velen van hen hadden gediend in het Koninklijk Nederlandsch-Indische Leger (KNIL). Door de nieuwe Republiek Indonesië werden ze daarom beschouwd als de NSB-ers van de archipel. Het was dus zaak een veilig heenkomen te zoeken: Nederland.

Hun verblijf hier was als tijdelijk bedoeld, in afwachting van een eigen staat: de Republiek der Vrije Zuid-Molukken. Zoals bekend was de geschiedenis hen niet goed gezind. Deze week, twee dagen geleden, zou de komst van de Molukkers worden herdacht. Dat ging niet door wegens kritiek uit Molukse kring. De herdenking zal nu begin volgend jaar worden gehouden. Dat is in elk geval de bedoeling. Het Molukse drama was vorige week hét onderwerp van gesprek in een interview van Van Agt met de NRC. Met stijgende verbazing heb ik dat artikel gelezen.

Hoogst zelden schetst iemand van het kaliber Van Agt zichzelf als een politieke onbenul, toen het om de Molukkers ging. Maar Van Agt spaart zichzelf niet. Zo las hij bijvoorbeeld een boek van de Molukse schrijfster Dinah Marijanan Barak 85 kamer 10 (over haar jeugd in het vroegere kamp Westerbork) en was daardoor totaal onthutst. “Dat boek heeft me heel veel gedaan. Ik bleek verbijsterend weinig van het onderwerp te weten”, aldus de voormalige minister van justitie, die de treinkaping beëindigde.

Gevraagd wat hij vind van de manier waarop we in Nederland met de Molukkers zijn omgesprongen, voegt hij eraan toe:” Schandalig. Hoe we ze in 1951 pardoes op schepen hebben gezet. En hoe we ze daarna op abominabele manier hebben gehuisvest. Slechter had niet gekund.” Hij wist daar toen weinig van, bekent de oud-bewindsman zoveel jaar later. Het onderwerp 'achtergrond van de Molukkers' hield hem niet bezig.

Dat de Molukkers naar ons land werden verscheept – daar dachten Van Agt en andere politici indertijd niet bij na. En dat de ex-KNIL-militairen vervolgens op staande voet uit militaire dienst werden ontslagen – daar had Den Haag verder ook geen moeite mee. Je gelooft gewoon niet wat je leest. In de steek gelaten door de Haagse politieke kliek, leefden de voor de gek gehouden Molukkers lange tijd in primitieve kampen. Ook na een wanhoopsactie als de treinkaping, veranderde er niets. Niet eens een bedankje voor de mannen die aan de zijde van de Nederlanders hadden gevochten, kon er af.

Van Agt, die nooit helemaal is hersteld van een hersenbloeding in 2019, vindt intussen een gebaar van dank en eventueel excuses op zijn plaats. Hier ligt wat hem betreft een taak voor de koning. Maar diens Huis heeft nog nooit iets van zich laten horen. Wel werd in 1970 de toenmalige Indonesische president Soeharto met alle plichtplegingen ontvangen. En Willem-Alexander bood tijdens een staatsbezoek aan Indonesië in 2020 deemoedig excuses aan voor het Nederlandse optreden daar.

Het is niet moeilijk na te voelen wat die excuses losmaakten onder de Molukkers, die in het KNIL de Nederlandse belangen met hun leven hebben verdedigd. Achteraf bezien – en het wordt een beetje meer van hetzelfde deuntje – vindt Dries van Agt het allemaal onbegrijpelijk. Hij zoekt een verklaring in het feit dat 'de tragedie van de Molukkers niet in het brein van de ministers van toen zat. Ook niet in het mijne. We stonden er gewoonweg niet bij stil. Indonesië was economisch erg belangrijk voor ons. Daar dachten we wel aan. Dat we de Molukkers zo schoffeerden, kwam niet bij ons op. Dat was dom en pijnlijk. En onvergeeflijk.” Waarvan akte.

Een volgend kabinet zou eens goed moeten luisteren naar 11 Nederlandse burgemeesters, die een Molukse gemeenschap in hun woonplaats hebben. Zij riepen begin dit jaar Den Haag op om het leed te erkennen dat de Molukkers is aangedaan. Ook burgemeester Martijn Vroom ondertekende de brief. Terecht merkte hij in dit verband op dat het 70 jaar na aankomst de hoogste tijd is voor een gebaar. De oproep van de burgemeesters krijgt extra glans door het plan op de Rotterdamse Lloydkade een monument te plaatsen – daar waar indertijd de eerste schepen met Molukkers aanmeerden.

Maar het is natuurlijk allemaal veel te laat. Uiteindelijk resten alleen krokodillentranen.

Een plezierig weekend.
Blijf gezond.

9 oktober 2021.
Bert van Oosterhout