Een selfie in olieverf

De column van Bert van Oosterhout

18 december 2021 Bert van Oosterhout

Oom Dagobert Duck zal wel weten hoe 175 miljoen euro er uitziet. Maar gezien zijn reputatie van gierigaard, zal hij die biljetten vermoedelijk niet uitgeven aan een schilderij. Zelfs niet als dat schilderij door Rembrandt in hoogst eigen persoon is gepenseeld. Er is dus, kunnen we concluderen, een groot verschil tussen oom Dagobert en Taco Dibbits, de hoofddirecteur van het Rijksmuseum. Dibbits staat immers te springen om het schilderij De Vaandeldrager – een selfie in olieverf die de Max Verstappen onder onze toenmalige schilders in 1636 maakte – te kopen.

Waarom de steenrijke bankiersfamilie De Rothschild het werk nu op de markt brengt, is niet bekend. De echte rijken laten meestal niet in hun portemonnee kijken. Misschien wil opa Rothschild een kleinzoon die net voor de Franse havo is geslaagd, een nieuwe Porsche geven. Plus de spreekwoordelijke wereldreis. Zo'n kind moet toch wat. Of wellicht heeft een neef die niet wil deugen, onbedoeld een meisje bezwangerd. Een misstap die moet worden afgekocht. Het is ook niet uitgesloten dat de familie gewoon is uitgekeken op De Vaandeldrager. Zo mooi is het doek nou ook weer niet.

Het is de schilder zelf, die ons aankijkt. In de woorden van schrijver Mariëtte Haveman in de NRC: …......'een vrij gangbare Hollandse man van het boerentype. Met zijn hangsnor heeft hij iets weg van Bennie Jolink.' Het militaire tenue en een houding van 'kijk mij eens' voltooien het beeld. Ook in andere zelfportretten paste Rembrandt deze pose toe. Haantjesgedrag van de bovenste plank.

Directeur Dibbits van het Rijksmuseum, wijst erop dat we het hier hebben over een “uniek werk dat behoort tot de top 10 van Rembrandts oeuvre. Het portret was zijn artistieke doorbraak in aanloop naar De Nachtwacht. Het is diepgeworteld in de Nederlandse cultuur en geschiedenis en symboliseert de rebelsheid van de schilder en zijn land.” Ja, ja die Dibbits schuwt geen hoogdravende taal. Of die besteed is aan een kabinet en een premier die van kunst en cultuur niet veel moeten hebben, is de vraag.

Maar deze keer springen Mark en de zijnen over hun eigen schaduw. Het ronde bedrag van 150 miljoen euro maakt de bv Nederland over naar Frankrijk. Andere partijen leggen er nog 25 miljoen bij. En als het een beetje wil gaat de koop door. De overredingskracht van de voorstanders van de aankoop was blijkbaar groter dan die van het doorsnee-advies van het RIVM.

Natuurlijk worden links en rechts wenkbrauwen gefronst over de beoogde transfer van De Vaandeldrager. Hamvraag: moet de staat überhaupt 150 miljoen uitgeven voor een schilderij, zelfs al is het er een van Rembrandt? Goeie vraag. Let wel, die aankoopsom komt overeen met 40 procent van de verbouwings- kosten van het Rijksmuseum. En ze betekent voor 5000 gezinnen een vergoeding in de Toeslagaffaire.

Er zijn nog meer vergelijkingen te trekken. Denk even aan de armoede in de kunstsector, die door corona op zijn achterste ligt. Voor en tegens, het is de altijd terugkerende discussie wanneer een beroemd kunstwerk van eigenaar verandert. En kern van de discussie is per definitie de hoogte van het transferbedrag.

Daar hoor je voetballers nou nooit over. Of toch heel weinig. Terwijl het in de wereld van het lederen monster toch echt over serieus geld gaat. Nou ja, als het goed is brengen die voetbalgladiatoren hun geld weer op, hoor je dan. Dat zal ook wel. Dat ligt even anders met De Vaandeldrager. Erg rendabel zal het niet zijn om dit werk te exposeren. Betekent dat nou dat we deze Rembrandt maar moeten vergeten?

Olav Velthuis, hoogleraar kunstsociologie aan de Universiteit van Amsterdam, gaf in het AD het antwoord. Om te beginnen wijst hij erop dat het om een eenmalige aankoop gaat waar het Rijksmuseum voor altijd van profiteert. “Je hebt het en het gaat nooit meer weg. Al die eenmalige uitgaven aan zorg of cultuur helpen slechts tijdelijk om wat lasten te verlichten.”

“Het is geen investering”, aldus Velthuis, “waarop rendement moet worden gemaakt bij verkoop. De overheid doet dit om het nationaal kunstbezit verder op te bouwen. Dat gebeurt al eeuwen. Het heeft in oorsprong te maken met identiteitsvorming van de natie.” Tot zover de hooggeleerde kunstsocioloog. Waarin mensen zich toch allemaal specialiseren, denk ik wel eens.

De prof wordt trouwens bijgevallen door de directeur van de Vereniging Rembrandt, Fusien Bijl de Vroe. Zij helpt musea bij het aankopen van kunst. Zo ook bij De Vaandeldrager. “Helemaal geen overbodige luxe”, vindt Bijl de Vroe. “Als we zo gaan denken, omdat we nu met een coronaprobleem zitten, kunnen we De Nachtwacht ook wel verpatsen en het geld eenmalig uitgeven aan de zorg.”

Allemaal leuk en aardig. Maar het blijft schuren dat de gewenste aankoop op het verkeerde moment komt. Werp eens een blik op een intensive care met coronapatiënten, zou ik bijna zeggen. 's Kijken of je dan bij je mening blijft. Maar.......ik geef het meteen toe, dit voorstel slaat als een tang op een varken. De bewust gekozen rauwe tegenstelling is niet aan de orde. Al was het maar omdat ze de suggestie wekt dat kunst er is puur voor de handel.

Niks tegen handel. Zonder rijke verzamelaars – zeg maar: kopers – zou menige kunstenaar levenslang op een houtje bijten. Niet voor niks spreken we over kunsthandel. Die doet zaken die soms doen denken aan de windhandel in tulpenbollen in de Zeventiende Eeuw. Blijkbaar een onvermijdelijk bijverschijnsel. Samenvattend, willen we desondanks recht doen aan de betekenis van kunst – die ons kan boeien, uitdagen, troosten - dan zullen we dit verschijnsel voor lief moeten nemen.

Een vrolijke Kerst en het allerbeste voor het komende jaar.

18 december 2021
Bert van Oosterhout