Ouwe meuk uit Parijs

De column van Bert van Oosterhout

8 januari 2022 Bert van Oosterhout

Deze morgen wilde ik eigenlijk iets zeggen over Tweede Kamerleden die het normale burgerfatsoen hebben afgeschaft. Maar daar kom ik later nog wel eens op terug. Liever besteed ik eerst aandacht aan een verschijnsel dat mijn vrouw en mij – en met ons honderdduizenden tv-kijkers – opgetogen aan de toverdoos heeft gekluisterd: de terugkeer van het chanson.

Sinds enkele maanden kun je op de radio nauwelijks een muziekje aanzetten, of er klinken zoetgevooisde franse klanken door de kamer. Niet zelden begeleid door een accordeon op het ritme van de valse musette. Ja, ja, opa vertelt.

Dankzij het duo tv-makers Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps beleeft het chanson een regelrechte renaissance. Zij kregen dat voor elkaar in een bijna poëtische tv-documentaire waarin zij een genre franse liedjes en de vertolkers ervan opdiepten uit stoffige archieven, vergeten zolders en meer van zulke stofnesten. En de grijze golf in het landje van Frans Bauer, Rob de Nijs, De Kast, Trijntje Oosterhuis etc. etc. ging zwijmelend door de knieën.

Een paar generaties lang was van het eens zo populaire chanson bij ons zo goed als niets meer vernomen. Een handvol liefhebbers daargelaten, luisterde geen hond meer naar Gilbert Becaud, Barbara, Edith Piaf en al die vertolkers van het bourgondische levenslied. Bij uitstek het vehikel voor de lach, de smart en de nostalgie van het franse gemoed.

En toen was daar ineens mr. DWDD (De Wereld Draait Door) Matthijs van Nieuwkerk. Van hem kenden we al zijn adoratie van de armeens-franse bard Charles Aznavour. Dat hij totaal kopje onder kan gaan in de héle wereld van het chanson, wisten we aanvankelijk nog niet. Nou, daar heeft hij inmiddels samen met Rob Kemps voortvarend verandering in gebracht.

Dit onwaarschijnlijke tweetal zwierf een aantal tv-avonden als een stel jonge honden over het scherm in de stad der steden: Parijs. En elke nieuwe uitzending verdiepten ze hun muzikale schatgraverij. En wij gingen maar al te graag mee. Want wat daar onder de handen van dit duo tot leven werd gewekt, was puur geluk. In elke uitzending passeerden ze de revue: de zangers en zangeressen van de chansons die pakweg vijftig jaar geleden extra sjeu verleenden aan ons bestaan.

Het begon ruwweg tegen de herfst. Als geen ander jaargetij geschikt om uitdrukking te geven aan de roerselen van het franse hart. Maar het chanson bezingt niet alleen de herfst. Het houdt zich bezig met àlle seizoenen van het gemoed. Met alle jaartijden van ons gevoel. En dat in een taal die ervoor gemaakt lijkt te zijn: het frans. Jullie hebben het al begrepen: hier spreekt een liefhebber.

Winter. De melancholie van het seizoen hangt in de kale kruinen van de bomen. Tientallen soorten vliegende migranten scheren ook nu nog in onvoorspelbare patronen door het onderste luchtruim. De grote trek naar het zuiden is voorbij. Voor een paar maanden zijn we verlost van die verfoeide vogelstront op de auto. Zoals ook van het lachende geschreeuw van meeuwen en nijlganzen die ons vanaf schoorstenen het leven zuur maken.

Terwijl de een de schemering van een winterdag als een weldadige mantel omslaat, wordt de ander er depri van. Volgens zeggen een aangeboren gemoedstoestand die elke opgewektheid uitbant. Zo bekeken is de winter niet het plezierigste seizoen. Niet een waar iedereen op zit te wachten. Met uitzondering natuurlijk van de schaatsers die hopen nog eens een Elfstedentocht te kunnen rijden.

Maar we dwalen af. We hadden het immers over de herontdekking van het chanson. Voor velen een feest. Echter niet voor iedereen. Daar wees Frank Renout, correspondent in Frankrijk voor o.m. het AD en het tv-journaal, deze week op. En Frank kan het weten. Dat moge duidelijk zijn.

Renaissance van het chanson?- is terecht zijn vraag. Kom, kom. Natuurlijk hebben de bejubelde artiesten van toen: Edith Piaf, Jacques Brel, Georges Brassens en anderen, Frankrijk cultureel op de kaart gezet. Alleen al bij het woord chanson dromen mensen weg bij beelden van het Parijs van lang geleden, met kussende paartjes langs de Seine, beroemde schrijvers in Café de Flore en schilders op Montmartre. Maar al die beroemde artiesten overleden wel in respectievelijk 1963, 1978 en 1981.

Met andere woorden: we genieten van afgestofte ouwe meuk. Maar geen paniek. De klassieken van het franse lied hebben hun erfgenamen. Al tientallen jaren zetten jongere artiesten op allerlei podia de traditie voort. Maar niet langer met de liedjes die in een ver verleden de huidige grijze golf in verrukking konden brengen. Het genre is veranderd, zo leert Frank Renout ons. Het is vernieuwd maar ook vandaag is overal nog schoonheid te ervaren. Zoals ik al zei, hij kan het weten.

Kort samengevat: ik kijk verlangend uit naar het vervolg op de serie Chansons. Het bijpassende boek ligt binnenkort zeker op mijn leestafel. Hè, ik kan bijna niet wachten.

Een goed weekend.
8 januari 2022

Bert van Oosterhout