Eerste liefde
De column van Bert van Oosterhout
9 april 2022 Bert van Oosterhout
Soms heb ik het gevoel dat onzichtbare draden mij verbinden met Ilja Leonard Pfeijffer, de schrijver van Monterosso mon amour, het geschenk van de wegens corona uitgestelde Boekenweek, die vandaag begint. 'Eerste liefde' is het thema dit jaar. En als fan van het eerste uur, weet ik dat Pfeijffer met zo'n gegeven zwierig uit de voeten kan.
Voor wie het niet weet, Monterosso is een parel van een stadje aan de kust dichtbij Genua; onderdeel van een strook land bekend als Cinque Terre. In het boekenweekgeschenk reist de vrouwelijke hoofdpersoon erheen, terug naar de plek van haar eerste liefde. Een boeiende onderneming, al was het maar omdat een romantischer omgeving nauwelijks te vinden is.
Ilja Pfeijffer speelt hier een thuiswedstrijd. Veertien jaar geleden bezocht hij een keer de Italiaanse havenstad Genua en hij is er nooit meer weggegaan. Zijn bestseller La Superba speelt zich er af, evenals zijn meeslepende bundel Brieven uit Genua. Tegen
deze achtergrond is het volgende tafereeltje dan ook niet ongewoon.
“Kijk nou. Zie je wie daar aankomt?' zei mijn vrouw. We wandelden in de Via San Lorenzo, door de eeuwenoude straatjes richting Porto Antico, de oude haven. De hoog opgemetselde middeleeuwse huizen laten weinig zon toe op de begane grond. En dat is een weldaad in een stad waar het zelfs in het voorjaar al lelijk heet kan worden.
“Kijk dan,” zei mijn vrouw en knikte met het hoofd naar een rijzige man die onze richting uit kwam. Zij pas was vastberaden maar duidelijk zonder haast. Met een zekere behendigheid manoeuvreerde hij zijn omvangrijke gestalte tussen de voorbijgangers door. De lange haren, als van een Franse vorst uit een ver verleden, vielen meedeinend over zijn schouders.
'Ja, ja, ik zie hem', zei ik tegen mijn vrouw. Onmiskenbaar Ilja Leonard Pfeijffer. 'Ik ga hem even goeiedag zeggen.' Ik stak de straat over. Hield hem voorzichtig staande en vroeg hoe het met hem was. Duidelijk geamuseerd door dit intermezzo, meldde hij dat hij niets te klagen had.
Ik probeerde zijn geheugen op te frissen door onze eerste ontmoeting in herinnering te roepen. Die was niet hier, in de oude stad van Genua, maar in Den Haag. Uitgeverij De Arbeiderspers presenteerde er Pfeijffers magistrale roman La Superba. En dat werd een vrolijke bijeenkomst volgens een totaal onverwacht scenario.
Bij het vallen van de avond, in de vroege zomer van 2014, wisselden mijn vrouw en onze dochter in Genua, aan de telefoon de laatste nieuwtjes uit. De toen net verschenen roman kwam ter sprake. Want in hoofdstuk 23 introduceert de auteur een personage dat als twee druppels water op onze Italiaanse schoonzoon lijkt. Naam, beroep – de hele handel.
En het werd nog gekker. Dochterlief, nog steeds aan de telefoon, meldde as we were speaking, dat de roman op dat tijdstip bij boekhandel Paagman in Den Haag werd gepresenteerd. Op zo'n moment verander ik soms ineens in een soort speedy Gonzales. Drie kwartier later stapte ik dan ook, de roman onder de arm, de boekhandel binnen. Een gehoor van circa veertig boekenwurmen
hing er aan de lippen van de gevierde schrijver.
“Hoe komt u”, wilde ik in het vragenuurtje weten, aan de naam Alfonso G.?
'Geen idee”, was het antwoord. Een willekeurige keus. Maar waarom vraagt u dat eigenlijk?”
“Omdat de naam, de functie en de persoon sterk overeenkomen met die van mijn schoonzoon.”
Om redenen die mij tot op dag van vandaag duister zijn gebleven, barstte het publiek spontaan in een applaus uit. Ik zei het al, het werd een plezierige bijeenkomst. En in mijn exemplaar van het boek waar het allemaal om ging, prijkt sindsdien een vriendelijke opdracht in het Italiaans van Ilja Pfeijffer: Per Alfonso, eroe del capitolo 23, Ilja Pfeijffer. (In goed Nederlands: voor Alfonso, de held van hoofdstuk 23.)
De cirkel was rond. Alle ingrediënten lagen op tafel: een boeiende roman, met het mij vertrouwde Genua als levend decor, waarin onbedoeld mijn schoonzoon als belangrijk personage voorkomt. Als geen ander beleefde hij het avontuur, dat begon zodra ik het boek opensloeg. Een ervaring die ik ook met andere schrijvers deel.
Als een backpacker op leeftijd wandel ik bij tijd en wijle in gepast tempo door het landschap van de literatuur. Lang vergeten vergezichten ontvouwen zich voor mijn verrukte oog. Verjaarde politieke opstellen blijken opeens nog verbazend actueel. Ontroerende memoires van God zoekende auteurs stemmen opnieuw tot nadenken.
'Wie schrijft die blijft', wordt gezegd en dat blijkt nog steeds een waarheid als een koe. Auteurs van naam en faam hebben mij bij de hand genomen. Als jongmens bracht ik naast de nagloeiende kolenkachel in het ouderlijk huis halve nachten met hen door.
Lang voor ik Ilja Pfeijffer leerde kennen, lag ik met de romanfiguren van Ernest Hemingway in de Spaanse burgeroorlog in een hinderlaag voor de soldaten van Franco. Op het wrakke schip de Exodus – volgestouwd met uit Europa gevluchte joden – dobberde ik voor de kust van Palestina. En met Dante Alighieri nam ik een kijkje in de Hel.
Het zijn willekeurig gekozen titels van de duizenden boeken die een leven lang met me mee reizen. Tot op de dag van vandaag duurt het avontuur, dat begon toen ik als jongetje van een jaar of 10 de uitleenbibliotheek in de wijk ontdekte.
Ik maakte er kennis met schrijvers wier naam ik me niet eens meer herinner. Ik weet alleen dat ze me raakten. Want ze namen me mee naar een wereld die was opgetrokken uit fantasie. Waar geen beperkingen meer golden in tijd en ruimte.
Zodoende kan ik nog steeds elk gewenst moment, als Alice in Wonderland, door de spiegel stappen en de nostalgische trip naar mijn jeugd maken. Daar kom ik terecht in een onbedorven landschap, waar de zon akkers en weilanden schroeit. Het ruikt er naar koeienstront en bij kleine boerderijen, waar de stad plaatsmaakt voor het platteland, staan melkbussen op het erf.
Hier dronken mijn vriendjes en ik, jongens van 12, op zondagmorgen in de zomer, wanneer we werden verondersteld in de kerk te zitten, in een landelijke taveerne ons eerste glas bier. Een zoetig, donker brouwsel dat de keel en ons ego streelde, omdat bier drinken nu eenmaal mannenwerk is.
Enkele van de voorafgaande alinea's ontleen ik aan een eerder gepubliceerde tekst van mijn hand. Die verscheen in 2016 in een bundel verhalen van schrijvers uit Krimpen en Capelle aan den Ijssel. Ik kon het niet laten jullie deelgenoot te maken van het plezier, de opwinding, de spanning en de troost die boeken mij geven. Vandaag begint de Boekenweek. Dus wat let jullie: laat je ook opwinden, ontroeren of troosten.
Een plezierig weekend.
9 april 2022
Bert van Oosterhout
