Veteraan kreeg een gezicht

De column van Bert van Oosterhout

25 juni 2022 Bert van Oosterhout

U kunt de column van Bert ook hier beluisteren:

Ere wie ere toekomt. Na twee jaar corona-onderbreking zetten we vandaag de veteranen van de strijdkrachten weer in het zonnetje. Mijn avonturen als militair kan ik in een paar zinnen samenvatten.

  • Een weekend wachtlopen in stormachtige regenbuien op en rond de Snijderskazerne in Nijmegen. Onderdeel van de drie maanden durende basisopleiding.
  • Een week in tenten bivakkeren in natuurgebied Heumensoord; opdat deelnemers aan de Vierdaagse op de met stro gevulde matrassen in de kazerne konden overnachten.
  • Een optreden in de schouwburg van Nijmegen met zanger Joop de Knegt. Evenals als ik ingedeeld bij de luchtmacht en als zodanig wereldberoemd in Nederland met het liedje Ik sta op wacht.
  • Daarna een kleine twee jaar een dagelijkse wandeling van de Trip van Zoutland-kazerne in Breda naar mijn kantoor in de KMA, de Koninklijke Militaire Academie.
  • Een keer in de zes maanden een ochtend schietoefeningen in het Mastbos.
  • En mijn luchtdoop in een zespersoons Beaver vanaf de militaire vliegbasis in Gilze-Rijen.

Ik bedoel maar: mij kun je met de beste wil van de wereld geen veteraan noemen. Ik had, wat je noemt, een luizenbaantje. Vertaalde bij voorbeeld voor een van de militaire docenten een reeks artikelen in het Duitse weekblad Stern over de ontwikkeling van raketten in nazi-Duitsland en later in de Verenigde Staten. Je moet wat.

Eenmaal afgezwaaid, raakte de diensttijd gauw in de vergetelheid. Tot de herinnering een halve eeuw later als een bliksemflits insloeg. Sindsdien wil het beeld niet meer van mijn netvlies. Normandie, 22 mei 2004. 's Middags om 13.44 uur. Plaats van handeling: het dorp La Cambe. Vanaf de verhoging van een monument kijk ik uit over 21.200 graven van Duitse soldaten.

Een eenzame man staat beneden me op de onafzienbare grasvlakte. Handen op de rug. Het hoofd licht gebogen om de naam op een grafsteen te kunnen lezen. Ik weet dat hij tranen in zijn ogen heeft. Hij is mijn broer.

Eerder op de dag hadden we een saluut gebracht aan onder meer de Amerikaanse militaire begraafplaats in Colleville-sur-Mer. De laatste rustplaats van 9.387 jonge yanks die de oceaan waren overgestoken om ons te bevrijden. Het waren intense dagen voor ons, daar in Normandie. En vooral voor mijn oudste broer. In wie ik eerst toen de veteraan herkende.

Dat had alles te maken met een fotootje van zes bij negen centimeter, aan de linkerkant al een beetje verkleurd. Drie mensen staan, of liever gezegd liggen, erop in het gras. De achtergrond wordt gevormd door bergen. Misschien zijn het bossen. Dat is niet duidelijk. In schools handschrift, uitdrukking van een nette, ordelijke geest, staat achterop geschreven naar wie we kijken: Pietje, Cees en Kamit te Kediri, 17-04-1949.

Ik heb dit kiekje dikwijls bekeken. In familiekring ging het van hand tot hand. Het was per slot van rekening een teken van leven van de oudste zoon en broer, die in – wat toen heette – Nederlands Indië hielp bij het herstellen van het Nederlands gezag over de opstandige kolonie.

Dat hij na drie jaar ongedeerd terugkeerde, betekende dat hij als vanzelfsprekend werd ingelijfd in de grote broederschap van veteranen. Daar was hij trots op, al had hij het er zelden over. Maar dat lag minder aan hem dan aan de snel veranderende tijdgeest.

De tijd was ernaar. Van een wingewest veranderde Indië in een vrije onafhankelijke natie. En de Nederlandse Jan Soldaat die had meegevochten om dit te verhinderen – nota bene verplicht – werd bij thuiskomst al gauw met de nek aangekeken. Pas nadat Nederland als lid van de Navo en de Verenigde Naties had deelgenomen aan vredesmissies, kwam daar verandering in. De veteraan kreeg een gezicht. En als vanzelfsprekend werd hij ook zelfbewuster.

Ons bezoek aan de invasiestranden van Normandië zette mij op het spoor. Daar zag ik hoe mijn oudste broer een metamorfose onderging. De meestal ingetogen juridisch ambtenaar ontpopte zich als iemand die ik niet echt kende: een veteraan. Hij werd als het ware deel van de gebeurtenissen uit het verleden, dat voor hem hier in volle hevigheid terugkeerde. Meer dan tevoren leek hij zich ervan bewust dat de club van oud-strijders zijn werkelijke onderdak was. Zo kwam hij, een eeuwigheid na zijn demobilisatie, pas echt thuis.

Ik kan het hem niet meer vragen. Hij is niet meer onder ons. Maar in hem breng ik vandaag een saluut aan alle veteranen. Niet in de laatste plaats aan onze dorpsgenoten die op allerlei militaire missies vrijwillig de wapens hebben gedragen. Sommigen om vrede af te dwingen. Anderen op zoek naar avontuur. Zo werkt het. Want niets menselijks is de veteraan vreemd.

Een plezierig weekend.

Bert van Oosterhout
25 juni 2022