Homo homini lupus
De column van Bert van Oosterhout
15 oktober 2022 Bert van Oosterhout
Mijn vriend en buurman-boswachter Harm mag graag wolven bespieden. Als het zo uitkomt desnoods in het stikdonker van de nacht. Zonder moeite heeft hij er een rit van Krimpen naar de Veluwe voor over om de viervoetige migranten te spotten. En een uurtje slaap minder maakt hem ook niet uit. Harm is, kun je wel zeggen, een natuurmens.
Het beroep van boswachter is hem op het lijf geschreven. Zijn habitat is overigens niet de Veluwe, maar de Biesbosch. Een gebied dat weinig tot geen aantrekkkingskracht heeft op de wolf. Maar juist over hem en zijn vrouw de wolvin, wil ik het vanmorgen hebben.
Ooit was de wolf in onze streken kind aan huis. De oprukkende mens en met hem de toenemende landbouw brachten hem in het nauw. Noodgedwongen trok hij zich steeds verder terug naar het oosten van Europa. Pas in het jaar 2000 werd hij weer waargenomen in Duitsland. Bij ons stak hij in 2018 de kop op.
Begrijpelijk tot grote vreugde van de natuurliefhebbers. Die hangen meteen de vlag uit voor elke spijtoptant die zich terug meldt van weggeweest. Maar niet iedereen denkt er zo over. Op het platteland kan menigeen de nieuwkomer wel schieten. En dat is nu juist streng verboden.
Ik heb begrepen dat inmiddels drie wolvenfamilies hun plek hebben gevonden op de Veluwe en in het Drents-Friese Wold op de grens van Friesland, Drenthe en Groningen. Drie families. Het zou wat. Van overbevolking is in elk geval geen sprake. Toch zorgen die wolven voor overlast. Dat vinden in elk geval hun tegenstanders. Want het praatje dat ze hoogstens af en toe een verdwaald lammetje of een hinkend moeder-schaap voor wandelende spareribs aanzien klopt niet. Dna-onderzoek heeft namelijk aangetoond dat de wolf niet schuwt het vlees van een pony, een ezel of een koe naar binnen te slokken. Da's andere koek. Deze onthulling maakt korte metten met de romantiek die gepaard gaat met de terugkeer van de wolf. Daar laat ik het voorlopig bij. En ik sluit me aan bij boswachter Harm, die van mening is dat geen enkel dier niet thuishoort in de natuur.
En dan zet ik hier en nu grote stappen terug naar afgelopen donderdag. Half elf 's morgens. De voordeurbel roept mij dringend naar beneden. Op straat, een meter of twintig naar links, waar Nieuwe Vliet en Rondweg elkaar in een haakse bocht ontmoeten, ligt een man bloedend op straat. Zojuist met zijn elektrische fiets op het vettig gladde wegdek onderuit gegaan. Afgemeten aan de hoeveelheid bloed, dat rijkelijk stroomt, zijn z'n mond en neus zwaar beschadigd.
Buurtbewoners ontfermen zich over het slachtoffer. De gealarmeerde politie en ambulance zijn al onderweg. Met de fiets van het slachtoffer en natuurlijk het slachtoffer zelf, is de doorgang voorlopig versperd. Snel ontstaat een kleine file. Dat is allerminst naar de zin van een vrouwelijke bestuurder in een wit Japannertje. Zij wil er langs. Wat heeft zij met die valpartij te maken? – is wat ze uitstraalt. Dus voet op het gas. Voorzichtig, dat wel, maar vastbesloten.
Een uit de kluiten gewassen voorbijganger, die met anderen de gevallen fietser hulp biedt, maant de geïrriteerde automobiliste tot kalmte. Die is daar absoluut niet van gediend. Ze komt achter het stuur vandaan om verhaal te halen. Wat denkt die gast wel? Sinds wanneer maakt hij uit of zij mag doorrijden? Zij heeft toch niks verkeerd gedaan. Opgesodemieterd jij.
De toonhoogte van haar verbale waterval wijst op groeiende woede. Als je niet beter wist zou je denken dat zij hier het
slachtoffer is. Gewoon burger fatsoen is haar blijkbaar onbekend. Dat is wel duidelijk. Haar woordenschat en haar hele houding doen veronderstellen dat ergens in haar opvoeding iets grondig mis is gegaan.
Daardoor heeft ze zich een opvallende kijk op de samenleving eigen gemaakt. En in haar brutale woede deelt ze die met haar tegenstrever en met ons, de verbaasde omstanders. “Wat denk je wel?”, brult ze de frisse ochtend in.”Mijn bejaarde oma is al zo dikwijls gevallen. Moeten we daar soms elke keer het verkeer voor stilzetten?” De even absurde als onbeschofte opmerking gaat voor een deel verloren wanneer politie en ambulance arriveren.
Nauwelijks bekomen van mijn verbazing, was het mij alsof deze ochtend een oud gezegde werkelijkheid werd: Homo homini lupus – De ene mens is de andere een wolf. Vrij vertaald: mensen zijn elkaars grootste vijanden.
Een goed weekend.
15 oktober 2022
Bert van Oosterhout
