De waaier van Robbert
De column van Bert van Oosterhout
19 november 2022 Bert van Oosterhout
De geschiedschrijving van het moderne Israël kent talrijke anekdotes. Geen wonder (leuke woordspeling). Al vóór de staat Israël werd uitgeroepen, vestigden joden uit alle windstreken zich in de heuvels en de dalen van Palestina. Dat had vanzelfsprekend een spraakverwarring tot gevolg. Bovendien kregen nieuwkomers een job daar waar handen tekort waren. In werkplaatsen en op velden. Allesbehalve plezierig voor de kleine handelslui, intellectuelen en kunstenaars die hier hun heil zochten. Tanige oude mannen, sportieve kerels, vrouwen en opgroeiende kinderen raapten miljoenen stenen in Palestina van de grond die vruchtbaar gemaakt moest worden. In een lange rij naast elkaar gaven ze de stenen door. En de overlevering wil dat door deze gezamenlijke inspanning elk standsverschil verdween.
Het was even wennen. Vooral voor immigranten uit Duitsland en Midden-Europa. Zij waren gehecht aan stijf-burgerlijke omgangsvormen, die ze in het begin zelfs op de velden van Palestina handhaafden. Dat leidde dikwijls tot komische tafereeltjes... 'Bitte, Herr Doktor”, klonk het wanneer een arbeider een steen doorgaf. “Danke schön Herr Kutscher ” , (koetsier) was bijvoorbeeld het antwoord. En zo verder en zo door. Alsof de staat Israël van voor naar achter met handkracht tot stand werd gebracht. .
En dan nu een vergelijking uit het ongerijmde. We vervangen Herr Doktor door een hbo/universitair opgeleide man anno 2022. Van Herr Kutscher maken we een gediplomeerde mbo-student. Wat zien we dan? Een wereld van verschil. Een waarin hoger opgeleide jongens en meisjes en mbo-ers gescheiden van elkaar leven. Vreemden voor elkaar zijn omdat ze in veel gevallen uit een andere sociale omgeving komen. Omdat hun ouders bijna nooit hebben gestudeerd. Omdat ze het thuis niet rijk hebben. Hooguit 'goed'.
Over de mbo-ers spraken we tot voor kort als scholieren, leerlingen of wat ook. We noemden hen in elk geval geen studenten. Die titel was voorbehouden aan de bezoekers van universiteit en hogeschool.Tot Robbert Dijkgraaf, minister van onderwijs, cultuur en wetenschap, officieel een streep haalde door deze titel-discriminatie.
Een mooi gebaar van de gepromoveerde natuurkundige, die ooit zijn middelbare schooltijd doorbracht op het prestigieuze Erasmiaans Gymnasium in Rotterdam. Met dank aan de krappe arbeidsmarkt heeft de gymnasiast van weleer het mbo herontdekt. De arbeidsmarkt staat te springen om vakmensen: loodgieters, stukadoors, medewerkers in de zorg en niet te vergeten horecapersoneel.
Minister Dijkgraaf heeft het op zich genomen de beroepsopleiding een nieuw imago te verschaffen. En om die reden steekt hij er de komende jaren 4,4 miljard extra euro in. Of je een emmer leeg giet. Maar of het genoeg is, moet nog blijken. Terwijl universiteiten elk jaar meer studenten krijgen, kiezen steeds minder jongelui voor het mbo. Wat is hier aan de hand?
Het antwoord op deze vraag ligt, wat mij betreft, in de late jaren zestig. Nadat het hoger onderwijs een paar eeuwen lang exclusief door de maatschappelijke bovenlaag was bezocht, gingen de poorten open. Jongelui voor wie vroeger de kweekschool, later bekend als pabo, 'hoog' genoeg was, gingen nu in een aantal gevallen naar de universiteit en hogeschool. Het sociale hekwerk van weleer was geslecht. Kinderen wier vader nog als ongeschoold fabrieksarbeider aan de lopende band stond, werden dokter, advocaat, leraar, journalist. Het hoger onderwijs was voorgoed opengebroken.
In de jaren van verandering kon je op de campus van de Erasmus universiteit over de koppen lopen. Nog steeds trouwens. De belangstelling van buitenlandse studenten is hier niet vreemd aan. Opvallend genoeg doet deze trend zich bij het mbo nu juist niet voor. Er ligt nog een akelig brede sloot tussen wat minister Dijkgraaf wil en de praktijk. Die is namelijk aanzienlijk weerbarstiger dan aanvankelijk werd gedacht.
Dat komt deels door een hardnekkig verschijnsel: de opwaartse druk die diep verankerd zit in de maatschappij. Voor alle duidelijkheid: ik citeer hier een analyse in de NRC. “Kinderen horen in groep acht van ouders en leraren: je mag naar de havo of je moet naar het vmbo”. “Als je beroepsonderwijs gaat volgen aan de universiteit zijn je ouders dolblij”, zei SP-Kamerlid Peter Kwint tijdens een debat over het mbo. “Maar ze krijgen zowat een Tia als je zegt dat je beroepsonderwijs via het mbo gaat volgen.”
De opwaartse druk werkt als nooit tevoren. Meer dan de helft van de Nederlanders tussen de 25 en 35 jaar heeft een hbo- of vwo-diploma op zak. Tegelijkertijd is er een groot tekort aan vakmensen. Iedereen wil zonnepanelen, maar de wachttijden zijn eindeloos. Dat betekent overigens niet dat ouders hun kind aansporen naar het mbo te gaan om pakweg monteur te worden. Mooi niet. Kijk, als die zonnepanelen nou op dak worden gelegd door een monteur die vorige maand zijn masters heeft behaald, is de wereld ok.
Maar dat onze huisschilder een afgestudeerde econoom is, gelooft niet iedereen. Toch is het zo en de man is ook nog een reuze aimabele vent. Ik kende trouwens ooit een jurist in Middelburg, die dag en nacht als taxichauffeur door de Zeeuwse hoofdstad crosste. Hij had het prima naar zijn zin. En met z'n bankrekening was niks mis. Ik wil maar zeggen: het is blijkbaar tijd ons onderwijs op een andere leest te schoeien. Dat vindt Robbert Dijkgraaf nou ook. “Er zit nog een sterk hiërarchisch model in ons onderwijs”, zei hij tijdens het mbo-debat in de Tweede Kamer. “Als er één moment is om dat te kantelen is het nu. Bekijk het vervolgonderwijs niet langer als een trap, maar als een waaier van opleidingen. Waarbij het een niet hoger of beter is dan het ander.”
Nou, horen jullie het ook eens van een ander.
Plezierig weekend.
19 november 2022
Bert van Oosterhout
