Gute Nacht Freunde
De column van Bert van Oosterhout
25 februari 2023 Bert van Oosterhout
Goeie morgen. We beginnen vandaag met een gedicht. Liever gezegd, met het refrein van een Duits liedje dat mij zeer aan het hart ligt. Het is geschreven en wordt gezongen door Reinhart Mey. Sinds 1976 elke avond van de week op de radio. Als tune van het programma Met het oog op Morgen. Daar gaan we.
Gute Nacht Freunde
es ist Zeit fur mich zu gehen.
Was ich noch zu sagen hätte
dauert eine Zigarette
und ein letztes Glas im Stehen.
Je vraagt je misschien af waarom ik over dit deuntje begin. Dat zit zo, in alle eenvoud geven de 25 woorden van dit refrein prachtig weer waar ik het vandaag over wil hebben: het einde van de bruine kroeg. Het is geen doen het hele liedje hier te citeren. Maar wie geÏnteresseerd raakt kan het zo op internet vinden. Aan te bevelen. Twee prachtige zinnen dragen het refrein.
Was ich noch zu sagen hätte
dauert eine Zigarette.
Und ein letztes Glas im Stehen.
Zeg nou zelf. Pure poëzie aan de tap. Reinhart Mey moet haast wel door een pijl van de Grieks-Romeinse god Apollo – je weet wel, die van de dichtkunst – getroffen zijn. Daar wordt een mens nou gelukkig van. Want de bruine kroeg vormt de ziel van de buurt. Dat beweerde in elk geval de NRC kortgeleden. Een reportage beschreef hoe de bruine kroeg in de Amsterdamse binnenstad uitsterft. Maar dat gebeurt niet alleen daar. In heel wat oude wijken door het land, waar de bruine kroeg van oudsher gedijde, is het aan de hand.
Wat een treurnis. Weinig plekken lenen zich immers zo goed om de raadsels van het heelal en buitengewesten op te lossen als een bruin café. Je ziet het voor je. Een tapkast van doorleefd mahoniehout; glanzend gepoetst koper, goudkleurig bier in stevige glazen, ballen gehakt en hardgekookte eieren. Voila, dè ambiance waarin al eeuwen lang filosofen filosoferen, muzikanten warm lopen, revolutionairen hun revolutie voorbereiden, schrijvers schrijven.
Aan illustere voorbeelden geen gebrek. Wat te denken van de Bürgerbräukeller in München, waar Hitler en zijn trawanten hun complotten smeedden. Café de Flore in Parijs, thuisbasis van de nog jonge Hemingway; de Poesjenellenkelder in Brussel, pleisterplaats van de samenzweerders tegen koning Philippe de Tweede van Spanje en De Schouw in de Witte de Withstraat te Rotterdam, onofficiële soos van het lokale journalistenvolk.
Stuk voor stuk befaamde en beruchte lokalen waar geestverwanten elkaar treffen. Bij afspraak en bij toeval. Waar je je verdriet kunt verdrinken en je victorie vieren. Troost kunt vinden en alcoholist kunt worden. Lokalen, stuk voor stuk, waar voor een uur of wat de wereld naar binnen is gekeerd. Het dagelijks gedoe zich in een ander licht afspeelt.
In zo'n lokaal ergens in Rotterdam, telkens een ander maar altijd 'bruin', drinken we met drie vrienden op gezette tijden ons bier. Wij smeden geen complotten. Wij plannen geen revolutie en wij adresseren geen schrijven aan de koning. Wel geven we frank en vrij en ongezouten onze mening over de dames en heren die ons besturen en regeren. En ook die mafkees in het Kremlin blijft natuurlijk niet onbesproken.
Goed beschouwd onderscheidt niets een gezellige bruine kroeg in de Jordaan van een tof traditioneel café in het Oude Noorden van Rotterdam of het intieme centrum van Breda. De wereldhit van Pierre Kartner (Vader Abram)– Het kleine café aan de haven – beschrijft het helemaal. Donkerbruine lambrisering. Koperen accenten. Ongemakkelijke stoeltjes en ronde tafeltjes met een versleten kleedje. Generaties buurtbewoners brachten er hun beste uren door.
En die heilige plek staat nu op het punt te verdwijnen? Eerlijk gezegd denk ik, dat het wel meevalt. Het eerder genoemde vrienden-trio leeft zich bij tijd en wijle nog steeds beschaafd uit in zo'n donker dranklokaal. En het kost tot nog toe geen moeite elk uitstapje in een ander etablissement te beleggen. Er zijn er nog genoeg.
Wat maakt een café nou eigenijk tot een bruine kroeg? Deze vraag is wel gerechtvaardigd in het kader van deze column.Toch? Sommige bruine cafés in binnensteden zijn al meer dan vierhonderd jaar oud. Ze zijn een voortzetting van herbergen en drinklokalen uit de zestiende eeuw. De meeste stammen overigens van 'huiskamercafés' uit het begin van de negentiende eeuw. Het eerder beschreven interieur – dat door de rook van sigaretten, sigaren en pijpen per week zichtbaar donkerder werd – is bepalend voor het sfeertje. Dat wordt bijvoorbeeld in kroegen in de Amsterdamse Jordaan dikwijls bevorderd door de muziek. Johnny Jordaan, Willy Alberti en Tante Leen zijn er wereldberoemd mee geworden. In Rotterdam ligt dat anders. Amsterdamse kroegartiesten zijn er nooit echt populair geworden. En een lokale traditie bleef van beperkte omvang met Dorus Manders, Eddy Dorenbos, Gerard Cox en Joke Bruijs.
Cox en Bruijs kun je nog steeds tegen het lijf lopen. Nooit te beroerd voor een praatje. En of het Cox was of een andere coryfee, weet ik niet meer. En of hij of iemand anders het zei, de oneliner zei genoeg: Je komt hier om te lullen. Drinken kun je thuis ook.” Ik denk dat het wel goed komt met de bruine kroeg.
Een plezierig weekend.
25 februari 2023
Bert van Oosterhout
