Van zorgen voor naar zorgen dat…
De column van Karin Timm
1 februari 2025 Karin Timm
Lieve luisteraars
De laatste maanden waren zorgelijk. Zoals u al bekend is ben ik opgeleid als verpleegkundige en verpleegkundig specialist en werkte ik tot anderhalf jaar geleden ook in de zorg. In mijn huidige baan gaat het ook elke dag over de zorg en mag ik heel regelmatig meelopen in de diverse praktijken, zodat ik blijf voelen hoe dat eraan toe gaat. Intussen heb ik een functie waar ik het verschil kan maken in de zorg. Waar ik al mijn jaren ervaring meeneem omdat ik niet alleen denk dat het anders kan, maar ook weet dat het anders moet.
De meewerkbezoeken zijn fijn, want ik zie en ervaar heel veel in heel uiteenlopende vormen van zorg. Zo ben ik al eens bij een geneesmiddelenfabrikant geweest die heel moderne geneesmiddelen maakt, die helemaal passen bij de mens die die medicatie nodig heeft. Maar ook mocht ik weer meelopen in de wijkverpleging, bij de gehandicaptenzorg, in de geestelijke gezondheidszorg, in de ouderenzorg, met het sociaal domein, bij een huisarts, in een streekziekenhuis en in een universitair ziekenhuis. Ik zie werkelijk alle kanten van de gezondheidszorg en zie hoe hard mijn collega’s werken, hoe goed de zorg in Nederland is, hoeveel passie en liefde in die zorg wordt gestoken, hoeveel onderzoek er wordt verricht naar nog betere zorg, nog nieuwere technieken.
En tegelijkertijd zie ik ook hoe complex die gezondheidszorg is geworden. Hoe lastig is het als je je ouder een liefdevol thuis wilt geven als het thuis niet langer gaat? Hoeveel vragenlijsten moeten er worden ingevuld om aan te tonen dat de zorg echt goed is? Hoeveel tijd heeft een behandelaar nog om echt te luisteren naar de mens en zijn/haar klacht? Aan hoeveel regels moet je voldoen en wat als je net niet in het plaatje past? Hoeveel mensen vallen tussen wal en schip en hoe halen we het in ons hoofd om dan ook daar maar weer nieuwe regels voor te verzinnen?
Zoals ik al zei: de laatste maanden waren zorgelijk. En daarmee heb ik het dan niet over mijn werk, maar in de uren daaromheen. Ik mocht de zorg van een kant bekijken die ik meestal niet zie: die van een mens met een zorgvraag. Ik keek door de ogen van mijn vriendin, ongeneeslijk, maar goed reagerend op de chemokuur en even hoopvol dat er misschien toch kans op genezing zou kunnen zijn. Door haar ogen, met haar hart, voelde ik de hoop, dat eindigheid veranderen kan in oneindigheid. En ik huilde met haar mee toen die hoop onder haar vandaan werd geslagen.
Ik keek door de ogen van de dochter van een vriendin, die geopereerd werd en goed nieuws kreeg: nog wel aanvullende behandeling, maar met grote kans op een goede afloop. Ik keek door de ogen van iemand die groots was in de verpleegkunde en als patiënt nu klein en onzeker een operatie moest ondergaan. In afwachting van de uitslag lamgeslagen. Ik keek door mijn eigen ogen naar een fysiotherapeut die klaagde over o.a. alle vragenlijsten die hij moet invullen en waar met de uitkomsten niets wordt gedaan, zo ervaarde hij. De moedeloosheid naast de passie voor zijn vak waren goed zichtbaar. Ook mocht ik de bril opzetten van een patient die voor een ingreep naar het ziekenhuis moest. Ik moest wel even lachen bij de aanblik van alle informatiefolders die per mail werden toegestuurd, want er waren delen hetzelfde, grote delen helemaal niet van belang en een dag daarna kwamen er zelfs folders over een andere aandoening binnen.
Dat laatste moment, dat lachen om die informatiefolders, dat klinkt misschien luchtig, maar het was voor mij een moment van helderheid. Het is zo’n typisch voorbeeld van hoe de zorg vaak met de beste bedoelingen werkt, maar tegelijkertijd soms zo onpersoonlijk aanvoelt. Hoe goed bedoeld ook, de informatie komt met zoveel prikkels en procedures dat je door de bomen het bos niet meer ziet. En dat terwijl, als je je in de situatie van een patiënt bevindt, je niets liever wilt dan simpelweg iemand die even met je praat, die luistert en je begrijpt.
De zorg is er voor de mensen. Wij zijn de zorg. Maar als de systemen ons zó ver afleiden van waar het echt om gaat, dan verliezen we iets essentieels. Het vertrouwen, de menselijkheid, de connectie. Natuurlijk, regels en protocollen zijn belangrijk, maar uiteindelijk moeten we niet vergeten dat de kern van zorg draait om het zorgen voor elkaar, om dat stukje menselijke verbinding.
Dus de vraag is niet of de zorg kan veranderen, de vraag is: hoe zorgen we ervoor dat de zorg weer werkelijk voor de mensen wordt? Dat is de vraag die mij in mijn werk bezighoudt.
Passende zorg gaat over zorg die goed aansluit bij de specifieke behoeften van een persoon. Dat betekent dat we niet alleen kijken naar de standaardprocedures of regels, maar dat we de tijd nemen om te begrijpen wat iemand echt nodig heeft, zowel fysiek als emotioneel. Door de mens achter de patiënt te zien, kunnen we zorg bieden die écht bij hem of haar past, waarbij we rekening houden met persoonlijke wensen, omstandigheden en de context. Zo ontstaat zorg die niet alleen effectief is, maar ook respectvol en attent, en die de mens centraal stelt in plaats van het systeem.
Misschien is dit wel de moraal van mijn verhaal: we kunnen zoveel systemen en regels bedenken als we willen, maar als we niet blijven luisteren naar de mensen zelf, naar hun verhalen, naar hun behoeften, dan blijven we ver verwijderd van de zorg die we écht willen bieden.
