Gouden jaren
De column van Karin Timm
19 juli 2025 Karin Timm
Dit keer spreek ik deze column niet live uit, maar is het opgenomen, omdat ik dit weekend ‘off grit’ met mijn zoon ergens op de Veluwe bivakkeer. Off grit, want geen supermarkt in de buurt, geen Wifi, geen stromend water, geen gasstel, misschien een koelkastje, in elk geval een bed, stoel en goed gezelschap. Dat doet me realiseren hoeveel ik in luxe leef en hoe gewoon ik dat allemaal ben gaan vinden.
Momenteel lees ik het boek ‘De Gouden Jaren’ van Annegreet van Bergen.
En dat boek bevestigt precies dat gevoel: hoe snel we gewend raken aan gemak, aan comfort, aan overvloed. En hoe kort het eigenlijk geleden is dat dat allemaal níet vanzelfsprekend was.
Het boek neemt je mee terug naar het Nederland van de jaren vijftig en zestig – de tijd van mijn ouders en mij als kind. En het leuke is: het gaat over de dingen die we allemaal kennen. De was. De boodschappen. Hoe je woonde. Wat je at. Hoe je leefde.
Dan wordt ineens pijnlijk duidelijk: we leven nu in een zee van mogelijkheden, maar we zien het nauwelijks meer. We draaien aan een knop en er is warm water. We klikken op een app en de boodschappen staan de volgende dag voor de deur. We klagen als de WiFi hapert – terwijl in de 50er jaren mensen nog zonder koelkast leefden. Of met z’n zevenen in een huis woonden van 60 vierkante meter.
De luxe van nu is precies datgene is wat vroeger hard werken betekende. Een simpel voorbeeld: de was. Vandaag doe ik de was in tien minuten. Machine aan, deur dicht, klaar. Toen – en dat is dus nog geen 70 jaar geleden – betekende wassen een hele dag werk. Weken, schrobben, wringen, drogen aan de lijn in de tuin die toen ook voornamelijk die functie had. Geen “wassen op 30 graden”, maar sop maken op het fornuis. Rode handen, stijve rug.
En na zo’n dag vol fysiek werk? Dan hoefde je niet naar de sportschool. Dat was helemaal geen aparte activiteit. Beweging zat ingebakken in het dagelijks leven.
Nu moeten we een abonnement kopen en gaan we het liefst met de auto naar die plaats waar we kunnen bewegen. Hilarisch is het niet?
De Gouden Jaren laat ook zien hoe onze normen zijn verschoven. Wat ooit luxe was – een tweede toilet, een auto, vakantie in het buitenland – vinden we nu basisbehoeften.
Het idee dat je televisie had, was vroeger al bijzonder. Nu zijn we teleurgesteld als onze streamingdienst haperend laadt.
Of neem boodschappen. Je moest vroeger naar de bakker, de slager, de groenteboer. Elke dag. Met een tas en zonder keuze uit tig soorten yoghurt. Nu kun je alles bestellen, tot diepvriesmango en dadeltaart aan toe.
Wat ik zo knap vind aan Annegreet van Bergen, is dat ze niet met een opgeheven vingertje schrijft. Ze is niet nostalgisch op een naïeve manier. Ze zegt niet: vroeger was alles beter.
Maar ze zegt wél: vroeger was alles zwaarder. En we weten nauwelijks nog hoe zwaar.
En als je dat wél weer even voelt – zoals ik dit weekend, zonder comfort –
dan snap je ineens weer hoe groot het verschil is. En hoe razendsnel het gegaan is.
Nog even over die huishoudelijke apparaten. De stofzuiger, de koelkast, de afwasmachine. Allemaal apparaten die werk uit handen nemen – en daarmee tijd geven. Tijd die onze moeders en oma’s vaak níet hadden. Zij werkten de hele dag, maar dan thuis. Onbetaald, onzichtbaar, vanzelfsprekend. En dan besef je jezelf: emancipatie is niet alleen een politieke strijd, maar ook een gevolg van technologie. Want pas toen het huishouden minder tijd kostte, ontstond er ruimte voor iets anders: studie, werk, vrijheid.
De Gouden Jaren is geen somber boek. Het is een boek dat je met verwondering leest. En met een glimlach. Omdat je je ineens herinnert: oh ja, zo was dat. Of je hoort je moeder zeggen: “We deden het gewoon zo.” Of je opa: “We hadden niks, maar we misten niks.”
En ergens zit daar ook de kern: dat we zoveel hebben gekregen, maar niet altijd weten wat we ermee moeten. Dat we vrijheid hebben, maar ook keuzestress. Dat we comfort hebben, maar verlangen naar eenvoud.
Dus ja – dit weekend geen warm water, geen WiFi, geen koelkast vol keus. Maar wél tijd. Stilte. Een zoon die vragen stelt. Een blikje soep dat we samen opwarmen op de houtkachel.
En een herinnering aan hoe het ook anders kan.
En dan – midden in dat simpele moment – weer bevatten: de echte luxe is niet per se wat je hebt. Het is of je nog kunt waarderen wat je hebt. En daarvoor moet je soms even terug. Niet letterlijk, niet in nostalgie – maar in bewustzijn.
Zodat we niet alleen vooruit leven, maar ook terugkijken met besef.
Op onze eigen Gouden Jaren.
